'Beste universiteit' bestaat hier niet

Nederland heeft geen topuniversiteiten zoals Engeland of de VS, maar ook geen derderangs instellingen. Echte kwaliteitsverschillen zijn er alleen tussen studierichtingen.

Is de ene universiteit beter dan de andere? Als je toevallig eens in de krant gelezen hebt over opleidingen waar een docent gemiddeld 57 studenten tegenover zich heeft (rechten in Leiden) of waar na zes jaar pas vier procent van de studenten is afgestudeerd (industrieel ontwerpen in Delft), dan ga je dat wel hopen.

Maar waar vind je de beste universiteit? Schoolverlaters die met deze vraag op pad gaan langs de open dagen van academisch Nederland bezorgen zichzelf een lastige opdracht. Want als je complete universiteiten vergelijkt, dan zijn er wel verschillen in stijl en 'profiel', maar hun gemiddelde kwaliteit ligt angstwekkend dichtbij elkaar.

Natuurlijk zijn er, als je lang en precies genoeg telt en meet, kwaliteitsverschillen tussen complete universiteiten te vinden. Die verschillen staan in de tabel op deze pagina. Ze hebben een stevig fundament: enquêtes onder maar liefst 50.000 studenten, visitatierapporten die deskundigen sinds 1999 opstelden, en dat allemaal zorgvuldig gewogen. De verschillen worden door universiteiten serieus genomen. Zo kreeg Choice, het centrum dat verantwoordelijk is voor de hier samengevatte onderzoeken, kortgeleden nog bericht uit Delft dat daar nu een actieprogramma is gestart om het onderwijs te moderniseren. Want er was achterstallig onderhoud zoals dat heet: te weinig onderwijskundige scholing van docenten, te weinig aansluiting tussen vakken, en noem maar op. Ook Utrecht en Amsterdam (UvA) namen zulke maatregelen om, zoals ze het zelf noemden, 'hoger op de ranglijst' te komen. Kortom: de kritiek van studenten komt aan.

Maar de verschillen op de ranglijst zijn natuurlijk niet groot. We hebben in Nederland geen topuniversiteiten zoals Harvard, en – minstens zo belangrijk – we hebben ook geen derderangsinstellingen in afgelegen provincieplaatsjes. Nog niet, in elk geval. En toch zijn er binnen de universiteiten échte verschillen, waar elke aanstaande student van moet weten. Ten eerste is er verschil in cultuur en profiel. Dat zie je door zelf te gaan kijken. Je leest het ook in de kwaliteitsoordelen van de Keuzegids Hoger Onderwijs en die van Elsevier.

Zo gaan de vier oudste, klassieke universiteiten (UvA, Utrecht, Groningen en Leiden) prat op hun tradities. Ze koesteren hun eeuwenoude panden in het centrum, waar twintig generaties filosofen en natuurkundigen aan de muur hangen. Natuurlijk heeft de tijd hier niet stilgestaan, maar hun historie dragen ze wel met zich mee. Voordeel is dat je er exotische opleidingen Sanskriet of Koreaans vindt. Nadeel is dat oude universiteiten vaak trager op verandering reageren. Ze hebben hun reputatie, en waarom zouden ze zich druk maken over nieuwe vakken, nieuwe onderwijsmethoden – of nieuwe ideeën over de scholing van universitaire docenten?

Soms leidt die houding ertoe dat misstanden te lang blijven bestaan. Zo kreeg de UvA in Amsterdam drie jaar geleden een forse uitbrander van de onderwijsinspectie voor de verwaarlozing van de opleiding communicatiewetenschap. Even dreigde die zelfs gesloten te worden. Anno 2004 lijkt ook prestigieuze Leidse rechtenfaculteit net aan dat lot te ontsnappen.

Hoewel veel van hun opleidingen best in orde zijn, is het dus niet toevallig dat de oudste universiteiten in de onderste helft van de landelijke ranglijst staan. Jongere, meer compacte en meer beroepsgerichte universiteiten in Rotterdam en Tilburg doen het gemiddeld beter. Dat laatste geldt ook voor drie van de vier specialistische universiteiten, die ingenieurs opleiden voor techniek of landbouw. Vooral Twente voegt daar nog een aantal maatschappijvakken aan toe, maar ook hierin is de aanpak meer 'toegepast' dan bij de klassieke universiteiten. Kenmerkend, zeker voor Enschede en Eindhoven, zijn de goede computer- en netwerkfaciliteiten en het gebruik ervan voor moderne onderwijsvormen. Voor een dissonant zorgt de TU Delft, de oudste van de technische universiteiten. Wetenschappelijk heeft deze universiteit wereldfaam, maar dat is soms een belemmering om de docenten warm te krijgen voor goed en aantrekkelijk onderwijs. Zoals gezegd: Delft tracht de achterstand goed te maken.

Maar wie de markante verschillen zoekt, moet niet naar de gemiddelde kwaliteit van complete universiteiten kijken. Per studie kan het beeld namelijk fors verschillen. Zo scoort de Vrije Universiteit hoog met zijn talen en exacte studies, maar is er stevige kritiek bij economie en vooral de sociale wetenschappen. In Nijmegen is natuurkunde een topper, maar vallen bij economie vraagtekens te zetten. En Delft mag in het algemeen kritiek krijgen, die kritiek geldt niet voor technische bestuurskunde en aardwetenschappen. Daar is de modernisering heel geslaagd.

In de Keuzegids Hoger Onderwijs worden al die kwaliteitsverschillen per studie in kaart gebracht. De ene opleiding blijkt dan de beste docenten te hebben, de ander biedt meer zicht op de arbeidsmarkt en nog een heeft bijvoorbeeld prima computer- en bibliotheekfaciliteiten. Vaak blijken die kwaliteiten met elkaar samen te hangen en dat is verklaarbaar: een goede opleiding houdt op alle fronten de kwaliteit in de gaten. En bij een verwaarloosde opleiding met te weinig docenten kan het leed zich uitbreiden naar de kwaliteit van het onderwijs, de begeleiding en het beheer van de faciliteiten.

Voor wie nog een vuistregel zoekt: de kwaliteit van kleinschalige opleidingen is in het algemeen veel hoger dan die van snel groeiende en/ of populaire massastudies. Opleidingen als rechten in Leiden, economie en sociale wetenschappen bij de VU en bouwkunde in Delft krijgen een groot deel van de eerstejaars van hun universiteit binnen, maar het zijn ook de plekken waar het meest geklaagd wordt over rommelig onderwijs en gebrekkige faciliteiten.

Met een kleinschalige studie in een exact vak of een taal heb je veel minder kans op zulke problemen. Juist op die kleine opleidingen zijn de universiteiten vaak met recht trots. Ze doen het goed in diverse beoordelingen. Het geld dat daarvoor nodig is wordt vaak opgebracht door de grote, populaire opleidingen. Logisch. Maar bij de oude universiteiten in de Randstad krijgen grote opleidingen soms wat al te gemakkelijk een melkkoe-status. Niet dat dat officieel beleid is, maar bij een complete rechtenfaculteit scheelt een jaartje uitstel van de renovatie direct miljoenen. Dat brengt bestuurders soms in verleiding. En zolang dat regelmatig gebeurt, moet je als student juist bij massafaculteiten een tikje kritischer rondkijken.

Frank Steenkamp is directeur van het Centrum Hoger onderwijs Informatie voor Consument en Expert (Choice) in Leiden