Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Montenegro is mijn land. Het landschap is overweldigend, schildpadden zo groot als soepborden scharrelen overal rond. In kruidenierswinkeltjes worden op de toonbank prachtige nieuwe gebonden edities van Le Rouge et le noir van Stendhal aangeboden. Achter de kassa in de bergdorpen staan dames in stofjas die in Parijs zo de catwalk op kunnen. Een vriend kwam met het voorstel een mannequin-agency `Montenegro Models' op te richten. Een even simpel als briljant plan. De Montenegrijnse vrouwen zijn prachtig: lang, donker, nobel.

Cetinje, de oude koninklijke hoofdstad van Montenegro ligt als een roversnest hoog in de bergen. In het voormalige koninklijke park hakken mensen bomen om. Het gras staat hoog, er is een blokhut met muziek, her en der zitten mensen. De huizen, de straten, de roestende koninklijke hekken; alles straalt een sereen gevoel van `laissez-faire' uit. Het doet denken aan de blijmoedige atmosfeer van chaos en verval uit Kuifje en De juwelen van Bianca Castrofiori als de zigeuners hun tenten opslaan in het park van kasteel Molensloot. Op het centrale plein van de stad kunnen kinderen voor 50 eurocent in autootjes met een accu rijden, het gewone verkeer zigzagt er omheen. Een triomferende bruid komt met geheven hoofd een gebouw uit en wordt bijna door een kind van de sokken gereden. De ruimte tussen idee en werkelijkheid lijkt hier in Centraal Europa kleiner dan in Nederland. Het lastige daaraan is dat je de afgrond die tussen droom en daad gaapt slechts aan jezelf kan wijten. De barrières, de ingebeelde onmogelijkheden, de taboes, liggen in mijzelf (en de Hongaarse bureaucratie spant zich ook in het leven niet té eenvoudig te laten worden). Voor ik hierheen verhuisde fantaseerde ik dat ik de doodkistenfabriek bij ons dorp in Somogye zou kunnen revitaliseren of er iets anders kon gaan produceren; een Hongaars jeugdjournaal zou kunnen aanzwengelen; ons eigen bronwater kon bottelen voor de verkoop. Maar nu ik hier ben, doe ik het niet. Alles kost verschrikkelijk veel tijd en energie – alsof ik borstcrawl door modder – er lopen hier nog steeds tien werklieden de verbouwing af te ronden. Elektriciens, timmermannen en tuinmannen. Iedereen heeft vragen. Hoewel ik slechts rudimentair Hongaars spreek, heb ik meer conversaties met László de steenhouwer dan met mijn ega. Af en toe vervloek ik ze, toch bemerk ik dat ik nu in het gevaarlijke stadium ben beland dat ik steeds nieuwe werken voor ze verzin uit angst dat ze me gaan verlaten.

De grootste rust vind ik in het zoeken van stenen. Als ik met de honden wandel verzamel ik kalkstenen. Ze hebben grillige Daliaanse vormen, met gaten door en door. Zodra ik begin te zoeken weet ik van geen stoppen. Ik scharrel in de struiken waar anders slechts zwervers, honden en wilde zwijnen komen. Langs de weg stapel ik de stenen tot Tibetaanse bergjes. Aan het eind van de week haal ik ze op. Enkele tonnen moet ik zo langzamerhand de tuin al hebben ingesleept. We gebruiken ze voor paden en muren, maar ook heb ik er samen met de metselaar een grotto en een bank mee gebouwd, als een bescheiden ode aan le facteur Cheval. (Cheval was postbode in het bergachtige Drôme gebied in Frankrijk die op zijn dagelijkse ronde duizenden stenen verzamelde waarmee hij in zijn achtertuin het Palais Idéal bouwde. Het mooiste bouwwerk dat ik ooit heb gezien. Hij bouwde er 33 jaar lang aan zonder precies te weten wat hij deed.)

Daarnaast heb ik mijn oude gewoonte weer opgevat te stoppen bij vuilcontainers. Tegels en natuursteen sleep ik naar huis, als een prehistorische eekhoorn. De bouwlieden denken dat ik gek ben. Er is in Hongarije nauwelijks markt voor oude bouwmaterialen, ik ben overgeleverd aan de containers, de zigeuners en de tweederangs verkopers die aan de zuidzijde buiten de muur op de Ecserymarkt moeten staan (`altijd je geld laten zien', dat is een tip die ik ooit kreeg van een vriend die in vijfdehands auto's handelde en `langzaam tellen', een oude joodse wijsheid).

Er is een chronisch gebrek aan cash in dit land, maar een overvloed aan talent. Voordat aan Montenegro Models begonnen kan worden moeten eerst de lokale projecten afgerond worden. En daar zijn we nog wel honderd jaar mee bezig. De twintig meter diepe bron die we hebben laten schoonmaken blijkt niet meer goed genoeg voor drinkwater. In een andere put die op het ondergrondse meer is aangesloten is afval gegooid. De televisiezenders zijn politiek bepaald: als een nieuwe partij aan de macht komt, worden de belangrijke posities van de staatstelevisie vervangen. Een geharrewar waar je niks mee te maken wil hebben. De doodskisten lijken de beste mogelijkheid. En is misschien het best voor mijn onrustige karakter. In de Tweede Wereldoorlog moest een van de Twentse textielfabrieken lijkzakken produceren, met het voordeel volgens de fabrikant `dat je nooit klachten had'.

Bij het tankstation was een man voor mij aan de beurt. Hij kocht een blik olie. Hij trok z'n portemonnee, een versleten plat leren dingetje. Ik stond achter hem en kon meekijken. Hij bladerde door de vakjes. Ik zag één biljet van duizend en één van tweeduizend forint zitten, samen iets meer dan tien euro. Met de blik in de verfomfaaide portemonnee opende zich een wereld voor mij. De kinderen, het schooljaar dat was aangevangen, de boeken, de schoenen, de jassen, de gymspullen. Met een sacrale beweging viste de man het biljet van tweeduizend forint uit zijn portemonnee en gaf het aan de pomphouder.