Ze zijn heus niet erger dan barbaren

François Poulain de la Barre was een van de vroege auteurs die, met Descartes in de hand, pleitte voor de gelijkheid tussen man en vrouw. Maar was hij ook meer dan een proto-feminist, of maakt zijn nieuwe biograaf hem een maatje te groot?

Een boek dat pleit voor de gelijkheid van man en vrouw baart tegenwoordig geen opzien, tenzij het zou verschijnen in Riad of Teheran. Bij ons heeft iemand nu eerder succes als hij, met een verwijzing naar de planeten, het verschil tussen de seksen benadrukt. Maar ook in 1673 is voor zover bekend het leven in Parijs gewoon doorgegaan, toen François Poulain de la Barre (1647-1723) De l'égalité des sexes publiceerde, voorzien van koninklijk `privilège' en dus met toestemming van de censuur.

Pas achteraf is er toch wel enige reden tot verwondering, als je leest hoe Poulain in 1673 het geloof in de inferioriteit van de vrouw als een `vooroordeel' bestrijdt, hoe hij alle reëel bestaande ongelijkheid aan `opvoeding' en `gewoonte' toeschrijft, hoe hij vrouwen van nature even geschikt acht als mannen om zich aan de wetenschap te wijden en om rechter, vorst, legeraanvoerder of priester te worden, en vooral hoe hij dit alles met rationele argumenten tracht te ondersteunen.

Poulain was een overtuigd Cartesiaan. Met vooroordeel en gewoonte hoopte hij af te rekenen door deze te confronteren met de `regel van de waarheid', die eruit bestond dat niets voor waar mag worden aangenomen dat niet berust op `heldere en onderscheiden ideeën'. Van Descartes nam hij verder het befaamde dualisme van lichaam en geest over, op grond waarvan hij categorisch kon verklaren: `L'esprit n'a point de sexe'.

De geest was mannelijk noch vrouwelijk. Dat onderscheid bestond alleen in het lichaam, en daar voornamelijk in de organen die nodig waren voor de voortplanting. Maar iets ten nadele van de vrouw viel er niet uit af te leiden, vond Poulain. De Schepper had nu eenmaal beslist dat bij de procreatie twee personen vereist waren, en dat het aandeel van de vrouw met meer pijn en moeite gepaard ging dan dat van de man, maakte haar beslist niet minder `nobel', integendeel.

Poulain schreef zijn traktaat, waarin deze denkbeelden energiek worden uiteengezet, toen hij pas zesentwintig was. Hij had theologie gestudeerd aan de Sorbonne en was door zijn familie voorbestemd voor het priesterschap. Zelf zag hij, na zijn `bekering' tot het cartesianisme, kennelijk meer in een loopbaan als schrijver-filosoof. Want in 1674 publiceerde hij De l'éducation des dames, een vijftal pedagogische dialogen in dezelfde egalitaristische trant, en in 1675 volgde een pseudo-weerlegging van zijn eigen denkbeelden: De l'excellence des hommes contre l'égalité des sexes.

Priester

Hoewel zijn boeken werden herdrukt en er ook enkele roofdrukken verschenen, evenals een Engelse vertaling van De l'égalité des sexes, moet de opbrengst onvoldoende zijn geweest om van rond te komen. En dus liet Poulain zich in 1679 alsnog tot priester wijden, waarna hij naar Noord-Frankrijk verdween om dorpspastoor te worden. Lang bleef hij het niet, vermoedelijk omdat de vervolging van de Hugenoten (in 1685 werd het Edict van Nantes herroepen) hem tegenstond. In 1688 was hij weer terug in Parijs.

Daar bekeerde hij zich verrassenderwijs tot het calvinisme, met als gevolg dat hij de wijk moest nemen naar Genève, waar hij in een patriciërsfamilie huwde en na een beschuldiging van socinianisme te hebben afgeweerd, tot aan zijn dood in 1723 een gerespecteerd leven leidde als docent aan het plaatselijke Collège. In Genève publiceerde hij in 1720 nog een lijvig geschrift over het protestantisme, de rationele bijbelkritiek en de katholieke dwaling van de eucharistie, zonder daarin zijn vroegere stellingen over de gelijkheid der seksen te herhalen.

Ziedaar Poulains levensloop, in grote lijnen – maar helaas, veel meer hebben we niet tot onze beschikking. Buiten zijn publicaties (waarvan De l'égalité des sexes in 1984 werd heruitgegeven in de nuttige reeks `Corpus des Oeuvres de Philosophie en Langue Française') is er niets van hem bewaard gebleven: geen brief, geen manuscript, zelfs in de archieven schijnt vrijwel elk spoor te ontbreken. Wie Poulain is geweest, of en met welke vrouwen hij verkeerde toen hij zijn drie `feministische' traktaten schreef, hoe hij eruit zag – we weten het niet.

Dan wordt het natuurlijk lastig om een boek over hem te schrijven. Toch heeft Siep Stuurman, hoogleraar Europese geschiedenis en Europese studies aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit, dat gedaan, en François Poulain de la Barre and The Invention of Modern Equality is niet alleen een tamelijk omvangrijk, maar ook een bijzonder boeiend en derhalve hier en daar aanvechtbaar boek geworden.

Bij gebrek aan directe bronnen stort Stuurman zich op de – historische, filosofische, literaire – context van Poulains leven en werk, en vanzelfsprekend ook op dat werk zelf. De persoon van de schrijver blijft nog altijd even duister als voorheen, maar over zijn intellectuele positie en over de originaliteit van zijn ideeën komen we via deze omtrekkende bewegingen veel meer te weten.

Poulain blijkt niet de eerste of de enige te zijn die destijds opkwam voor de gelijkheid van man en vrouw. Het recht van vrouwen op studie en wetenschap was in de zeventiende eeuw een veel besproken thema, getuige alleen al de satirische toneelstukken van Molière over of liever tegen de `précieuses' en de `femmes savantes'. Wat Poulain onder de voorstanders uniek maakt, is de verbinding met het cartesianisme. Volgens Stuurman was hij de eerste die de methode van Descartes gebruikte voor een egalitaristische sociale filosofie.

Bij Descartes zelf was dit egalitarisme hooguit latent aanwezig, Poulain bracht het naar buiten en zette het niet alleen in om het verschil tussen de seksen te slechten, maar ook om af te rekenen met de verschillen tussen hoge en lage standen en met die tussen Europeanen en `barbaarse' en `wilde' volkeren. Er was geen enkele reden, aldus Poulain, waarom een boerenzoon met de juiste opvoeding géén geleerde docteur zou kunnen worden, en hetzelfde gold voor barbaren en wilden: `aangezien deze volkeren mensen zijn zoals wij, zijn ze ook in staat tot dezelfde dingen'.

Zulke opmerkingen, veelal terloops gemaakt, dienen bij Poulain om aan te tonen dat er ook geen geldige reden bestaat om vrouwen hetzelfde te ontzeggen. Zijn argumentatie waaiert uit over de hele mensheid, maar de nadruk ligt steeds op het verschil tussen man en vrouw. Dat relativeert Stuurmans claim dat Poulain de eerste is geweest met een `waarlijk universalistisch concept van gelijkheid' – Poulain was ook een typische one issue-man. De concentratie op dat ene punt van de gelijkheid tussen de seksen verklaart wellicht waarom er in zijn denken zoveel tegenstrijdigheden voorkomen. Terecht zegt Stuurman dat Poulain geen systematisch denker was. Hij lijkt mij vooral een creatieve eclecticus, die bereid was zijn argumenten overal vandaan te halen als ze zijn centrale stelling maar ondersteunden, ongeacht hun interne consistentie.

Recht van de sterkste

Stuurman werkt deze tegenstrijdigheden niet stilzwijgend onder tafel. Hij gaat juist uitvoerig in op Poulains fascinerende hypothetische reconstructie (`conjecture historique') van het ontstaan van de traditionele ongelijkheid tussen de seksen. Daaruit spreekt een zeldzaam sombere visie op de geschiedenis (het `recht van de sterkste' regeert), die moeilijk te rijmen is met zijn keuze voor de `modernes' in de toenmalige Querelle des Anciens et des Modernes. Waar haal je het geloof in vooruitgang vandaan, als het verleden blijkbaar zo beroerd is geweest? Ook noemt Stuurman de tegenstelling tussen Poulains principiële egalitarisme en zijn (gezien de voorbije burgeroorlog van de Fronde geenszins onbegrijpelijke) ambivalentie jegens het absolutisme van Louis XIV.

Het punt is dat deze contradicties pas echt gewicht krijgen, als je het egalitarisme van Poulain net zo'n weidse betekenis geeft als Stuurman geneigd is te doen. Misschien overdrijft hij het belang van zijn held een beetje, door hem onbekommerd met Hobbes, Locke, Spinoza, Montesquieu en Rousseau te vergelijken, door in zijn werk de `rudimenten van een vergelijkende sociologie' te ontwaren, door hem uit te roepen tot de `uitvinder van het moderne egalitarisme', door hem en zijn `generatie' (dat klinkt al wat vager en in dit geval plausibeler) aan de wieg te plaatsen van de `radicale Verlichting', en door in Poulains eclecticisme reeds alle `divergente' richtingen van de latere Verlichting aanwezig te zien.

Het lijkt me te veel van het goede. Poulain beantwoordt ongetwijfeld aan de huidige passie voor gender, class en race, die ook Stuurman in de greep blijkt te hebben, maar voordat we de hele Verlichting hieraan ophangen, zou eerst nauwkeurig vastgesteld moeten worden hoe centraal deze thema's voor de achttiende-eeuwse philosophes zijn geweest. Nu krijg ik de indruk dat Stuurman in zijn met zoveel eruditie en vernuft samengestelde context een ruimte heeft opengelaten, die voor Poulain net een maatje te groot uitpakt, terwijl deze zeventiende-eeuwse `feminist' van zichzelf al meer dan curieus en – vooruit – belangwekkend genoeg blijkt te zijn.

Siep Stuurman: François Poulain de la Barre and the Invention of Modern Equality. Harvard University Press, 361 blz. €40,82