Voorbij gaat nooit voorbij

Chaja Polak (1941) werd tijdens de oorlog `als een pakketje' tussen onderduikadressen heen en weer geschoven, zo heeft ze wel eens over zichzelf verteld. Zij moest het stellen zonder haar opgepakte en gedeporteerde ouders. Haar vader overleefde het niet, haar moeder wel. Zij hertrouwde en de kleine Chaja werd opgenomen in een nieuw gezin, waarin nog twee kinderen geboren werden. Over de sporen die zulke ingrijpende jeugdervaringen nalaten, schrijft Polak nu al negen boeken lang. De details zijn niet altijd dezelfde, maar in grote trekken komt het altijd weer neer op gevoelens van ontheemdheid en van verdriet en pijn en verwarring om wie er allemaal ontbreken en om wat er allemaal niet meer is.

In haar nieuwe roman, Salka, bedient ze zich van enigszins versluierende taal om de emoties te dempen, zoals in al haar boeken. Ook deze keer worden familieleden van andere namen en omstandigheden voorzien, maar haar eigen werkelijkheid schemert er nog meer dan anders doorheen. Haar alter ego heet hier Fanny (net als in De tweede vader, 1996) en zij is het pakketje dat na de oorlog herenigd wordt met moeder Salka. Vader Leo haalde het niet. Fanny moet, net als Polak zelf, genoegen nemen met `een naoorlogse vader', de niet-joodse vader van haar halfzus en halfbroer, al viel er verder eigenlijk weinig op hem aan te merken. Hij was een moedig iemand, een verzetsman met een kampverleden, een aardige man bovendien, die veel om haar gaf en van wie zij, op haar beurt, ook veel hield. En toch bleef er altijd iets schrijnen.

Het bijzondere van Salka is dat de kampslachtoffers, de mensen die het ergst denkbare meemaakten, niet als broze slachtoffers worden geportretteerd, maar als energieke overlevers die genieten van de herkregen vrijheid. Moeder Salka stapt met kordate pas door het leven en wordt omschreven als een doortastende en zachtaardige vrouw, die graag anderen helpt. Ze is niet erg analytisch ingesteld. Ze is meer het type dat problemen, ruzies en conflicten met de mantel der liefde bedekt.

Het is vooral de tweede generatie die moeilijkheden heeft. Het zijn juist de kinderen die kampen met verlatingsangst en die scherp in de gaten houden of de een niet meer moederlijke aandacht krijgt dan de ander. Ze staan ook voor een onmogelijke opgave. Aan de ene kant moeten ze steeds opnieuw bewijzen dat moeder niet voor niets het kamp heeft overleefd. Aan de andere kant moeten ze net doen alsof er niets gebeurd is. `Waarom hou je niet een keer op?', vraagt een familielid aan Fanny. `Voorbij is voorbij, je moet vooruitkijken.' Maar Fanny is nog lang niet uitgedacht over het verleden. Zij vindt dat haar vader te snel in het vergeetboek is geraakt en worstelt met allerlei vragen. Waarom is Salka nooit teruggegaan naar de plek waar haar eerste man is omgekomen? Waarom heeft Salka het wél overleefd en Leo en talloze anderen niet? Waarom moest Fanny altijd maar flink zijn en kon ze haar moeder nooit eens voor zichzelf hebben?

Het relaas van Fanny is brokkelig en achronologisch. Geen afgerond verhaal, maar een verzameling indrukken, in een niet altijd even pregnante stijl. `Hele episoden blijken zoek', klaagt Fanny. Om te vervolgen met: `Zijn niet meer terug te vinden.' Of: `Ik fiets langs de Amstel, ik heb zin om een eindje te fietsen.' We krijgen flarden te zien uit het leven van moeder Salka, van haar jeugd tot aan haar dood op 87-jarige leeftijd. Was het ondanks de oorlog een mooi leven? Polak wil haar lezers graag laten zien hoe moeder genoot van haar kinderen, van haar geliefden en van het leven in het algemeen en hoe nuttig zij zich maakte voor haar lotgenoten, de kampslachtoffers. Maar op de achtergrond duiken steeds weer haar getraumatiseerde kinderen op, die tot aan haar dood bleven vechten om haar exclusieve aandacht en liefde en die bleven ruziën over de vraag voor wie moeder terug kwam uit het kamp. Een harmonieus gezin vormden ze toch blijkbaar niet.

Polaks manier van vertellen is weinig lichtvoetig. Weinig vorsend ook. Het zijn loodzware thema's die zij keer op keer aansnijdt en die toch vaak een beetje in de lucht blijven hangen. Neem bijvoorbeeld de episode met `de orthodoxen', die mij onbedoeld grappig voorkwam. Als Salka net is overleden, wordt haar lichaam opgehaald door twee mannen met hoge hoeden en lange zwarte jassen. Ze hebben haast, al wordt niet uitgelegd waarom. Wordt het lichaam onrein als het te lang blijft liggen? Is het ongepast dat de familie haar nog kan zien of aanraken? Duidelijk is alleen dat de mannen handelen `zoals de wetten voorschrijven', zonder enige consideratie met de rouwende familie: `Ineens werd de deur opengegooid en kwamen de orthodoxen naar buiten gestormd. Tussen hen in een met donker doek bedekte baar.' Als dieven in de nacht gaan ze er met moeder vandoor.

Ook het steeds terugkerende gekissebis over de namen die op moeders grafsteen moeten komen te staan, heeft onbedoeld iets tragikomisch. Alleen haar eigen naam? Of ook die van haar eerste echtgenoot, zoals Fanny graag wil? Of die van beide echtgenoten? Maar dat staan `de wetten' niet toe. Op een joodse begraafplaats mogen alleen joodse namen worden vermeld. Dan toch maar alleen de naam van de eerste man? Dat vinden de kinderen van de tweede man weer niet eerlijk. De kwestie van de zerk zal pas na elf maanden van moeizaam onderhandelen worden opgelost.

Nieuwe gezichtspunten biedt Polak niet in Salka. Een groots of verrassend boek is het daardoor niet geworden. Maar al die verwoede pogingen van de kinderen om hun moederliefde te tonen, zijn aandoenlijk om te lezen, net als de poging van de oudste dochter, Fanny, alter ego van Chaja Polak, om haar moeders levensgeschiedenis vast te leggen. Een liefdesbetoon, niet volgens de wetten, maar naar haar eigen inzicht. Zo is het verbond tusen moeder en dochter, weer hersteld, op papier althans: een pakketje dat eindelijk is thuisgekomen.

Chaja Polak: Salka. Meulenhoff, 224 blz. €17,50