Soms is er niets waar in de wereld

`Ik was echt nooit iets anders dan wat ik was – een folkmuzikant die met door tranen verblinde ogen in de grijze mist staarde en liedjes bedacht die in een lichtgevende nevel zweefden.' Zo zag en ziet het zelfbeeld van Bob Dylan eruit. Maar anderen zagen hem anders. Zijn roem ontplofte eind jaren zestig in zijn gezicht, `op een manier die iedereen tot krankzinnigheid zou hebben gedreven'.

In de derde, meest aandoenlijke en aangrijpende van de vijf kronieken die samen het eerste deel vormen van wat een magistrale autobiografie belooft te worden, presenteert Dylan zijn afrekening met de mythe die hem als persoon en artiest heeft gedreigd te vernietigen. De mythe die hem tot walging bracht.

Dylan, de zanger, dichter en componist van folk songs, was als wereldster in een nachtmerrie beland. De hysterie rond zijn persoon kende geen grenzen meer. Woordvoerder van een generatie moest hij zijn. Hij weigerde, maar dat hielp niet. Er verschenen vette krantenkoppen: `Woordvoerder ontkent dat hij woordvoerder is.' Joan Baez, de beeldschone prachtzangeres van klassieke folk music, die hij had bewonderd en bemind, eiste luidkeels van hem het commando in `de strijd' op zich te nemen, als `leider van de massa's'.

Bob Dylan wilde, beweert hij, niets anders dan een rustig leven met vrouw en kinderen. Men noemde hem legende, icoon, enigma – vooruit, dat kon er nog mee door. Dat waren relatief onschuldige etiketten. Maar Profeet, Messias, Redder genoemd te worden – dat was onverdraaglijk. Toen hij, nog geen dertig jaar oud, een eredoctoraat van Princeton kreeg, samen met de weduwe van Martin Luther King, was het weer eens raak. In de laudatio geen woord over zijn songs, wel gezwatel over `de authentieke uitdrukking van het verontruste en betrokken geweten van Jong Amerika'. Oh Sweet Jesus! Weer in de val gelopen.

Achtervolgd en omsingeld door de horden – aanbidders, politiek, media – vocht hij om een beetje ademruimte. `Ik zou voor niemand dieper het duister ingaan. Ik leefde al in het duister.' Hij was de wereld toch niets schuldig? In dit deel van de autobiografie, waarin hij de ontstaangeschiedenis vertelt van het album New Morning, beschrijft Bob Dylan de poging zich te bevrijden van de zogenaamde tegencultuur. Hij was ook op de vlucht voor de vaak uitzinnige interpretaties van zijn teksten. Dylan koos voor een kluizenaarsbestaan, hij ging poseren als zionist, maar vooral probeerde hij zijn publiek op een dwaalspoor te brengen door het te misleiden met het slapste album dat hij ooit maakte, het dubbelalbum Self Portrait.

Chronicles is allesbehalve een evenwichtige, traditionele autobiografie. Het zijn losse, niet-chronologische episoden geschreven in een eigenzinnige, associatieve parlando stijl, die soms de cadans krijgt van een Dylaneske songtekst. Geheimen over zijn privéleven worden niet onthuld (hij spreekt eind jaren tachtig hooguit van `mijn vrouw'), verrassingen staan er niet in. Ook geen spectaculaire verhalen over drank en drugs of over zijn echtscheidingen. Zelfs de namen van Dylans eerste vrouw Sara en zijn kinderen ontbreken, data en jaartallen zijn schaars. Verwijzingen naar politieke en sociale context blijven beperkt tot het noodzakelijke minimum. Wat, is dan de vraag, kan Dylan toevoegen aan de talloze boeken en biografieën die al over hem geschreven zijn? En is zijn autobiografie niet op te graven uit meer dan duizend songs vol persoonlijke beleving? Veel redenen voor scepsis.

Maar het blijkt toch een fantastisch boek. Want Dylan kan op een hoogst typische, eigenzinnige manier een verhaal vertellen. Met zijn geheugen is ondanks het uit andere bronnen bekende drank- en drugsgebruik niets mis. Zintuiglijk worden scènes uit vervlogen tijden opgeroepen. Dylan praat met zijn ogen dicht en ziet voor zijn geestesoogst de portretten van oude bekenden voor zich, de obscure muzikanten met wie hij samenwerkte in Greenwich Villag, oude helden uit de folk- en country-traditie, de inrichting van Newyorkse kamers, de kasten vol boeken die hij plunderde (Flaubert, Joyce, Freud). Rare snuiters trekken langs, die rechtstreeks uit oude ballades lijken gestapt. De radio staat altijd aan. Dylan springt achteruit en vooruit in de tijd en wisselt voortdurend van perspectief, zonder de draad kwijt te raken of zich te verliezen in abstracties.

Pas de laatste van de vijf kronieken neemt ons mee naar het onherbergzame, koude land van de ijzermijnen in noordelijk Minnesota, waar Robert Zimmerman in 1941 werd geboren in het stadje Hibbing. Zijn enige vertrouweling was de uit Odessa naar Amerika geëmigreerde grootmoeder, die op de reis een been had verloren en altijd de kost had verdiend in de naaiateliers. De eerste kroniek speelt begin jaren zestig in de hoofdstad van het universum, New York, waar vernieuwing in de lucht hing, maar waar in de folkscene voornamelijk strijd heerste tussen de gestaalde kaders van authentiek purisme en de gepasteuriseerde, steriele commerciële performers. Bob Dylan, een naam en identiteit die hij wel degelijk, geeft hij nu toe, heeft geleend van de dichter Dylan Thomas, hoorde bij geen van beide kampen.

Onder de grappige, lichtvoetige herinneringen aan de begintijd rond 1960 voel je het talent branden en vooral: de tomeloze ambitie, maar zonder spoor van eigendunk. Hoe fraai deze vertellingen ook zijn, het draait in deze kronieken niet om de anekdote. Zij gaan over de oorsprong en de betekenis van Dylans muzikale werk. De meeste kunstenaarsmemoires getuigen van een onuitstaanbare zelfvertedering, sommige munten uit door zelfreflectie. Dat is hier het geval.

Dylan legt uit waarom het niet mogelijk is een ballade te maken over de patser-gangster Al Capone, maar wèl over de bandiet Pretty Boy Floyd. En protestliederen zijn prekerig en ééndimensionaal, tenzij je mensen een kant van zichzelf kunt laten zien waarvan ze het bestaan niet kennen. Een schoolvoorbeeld van reflectie is de vierde kroniek, gewijd aan het ontstaan van het album Oh Mercy! (1989). Dylan zat in 1987 artistiek aan de grond (`Ik voelde me verslagen, een leeg, uitgebrand wrak',`Ik lag te zieltogen op het trottoir'), zijn optredens waren een ramp, hij was serieus van plan een punt te zetten achter zijn carrière. De kroniek beschrijft dan het verloop van een pijnlijk muzikaal vernieuwingsproces van een kunstenaar die volledig vervreemd is geraakt van zijn eigen werk. Zijn songs waren `vreemden' voor hem geworden: `Het was alsof ik een pakket zwaar, rottend vlees met me meedroeg'. Het mondt uit in een fascinerende reconstructie van langdurige opnamesessies in een snikhete studio in New Orleans, waar Dylan en producer Dan Lanois een ware titatenstrijd leverden. De techniek, de structuur, de frasering, de tempi, de `mathematische' vormen – hier krijgt de lezer lessen aangeboden over het maken van muziek, rechtstreeks uit het laboratorium.

Chronicles munt hier ook uit in een soort artistieke onthechting, de vreemde en oneigentijdse manier waarop Dylan naar de wereld kijkt. Volgens Dylan – en hij meent het – ligt de oorsprong van zijn werk in de Amerikaanse burgeroorlog, die hij ziet als `een strijd tussen twee soorten tijd', de godvergeten kruisiging, dood en opstanding van Amerika, die allesbepalend zou zijn voor wat hij wilde schrijven. Hoe ongelijksoortig de autobiografische kronieken ook zijn, twee thema's komen telkens terug. De grenzeloze bewondering van Dylan voor andere artiesten die hem tot voorbeeld dienden, en zijn moeizame verhouding tot het ongrijpbare begrip 'waarheid'.

Schatplichtigheid is een sleutel. Dylan bewondert Macchiavelli, Von Clausewitz (ooit wilde hij naar de militaire academie van West Point om generaal te worden), Jean Genet, Betrolt Brecht en Jack Kerouac. Hij wilde een revolutionair zijn als Picasso. Maar zijn echte leermeesters waren de zangers. De crowd pleasers als Sinatra, de baanbrekers als Harry Belafonte, en uiteraard de meesters van de rock, de country-ster Hank Williams, en van de folk muziek Dave Van Ronk, Len Chandler, uit de blues Robert Johnson. Hij schrijft over deze personages met zeldzame dankbaarheid en generositeit.

Boven iedereen uit torent voor altijd de socialistische protestzanger Woody Guthrie, de `ware stem van de Amerikaanse geest', Dylans ideaalbeeld: poëtisch, hard, ritmisch, intens, met een stem als een stiletto. Guthrie vulde van meet af aan Dylans universum.

Dit boek is nu eens geen mythologie. Bob Dylan, die altijd weer een ander masker opzette en iedereen een verhaal op de mouw spelde, fantaseert niets in dit boek. We kenden zijn raadselachtige, onbegrijpelijke gemompel, en zijn uitzinnige verzinsels: `Pure hokum - hophead talk' (`pure flauwekul, je reinste lulkoek').In deze kronieken vertelt hij onmiskenbaar eigenzinnig een geloofwaardig levensverhaal, waarin het werk en de nooit eindigende optredens (nu honderd of meer per jaar), de voornaamste feiten zijn. Dylan omschrijft zijn hoogste ambitie als: iemand te zijn die ziet, letterlijk, wat waarheid is. Maar hij houdt uiteraard een slag om de arm. `Soms is niets waar in de wereld – en dat is haar enige waarheid.'

Bob Dylan: Chronicles. Volume One. Simon and Schuster, 293 blz. €24,95. Vertaald als Kronieken door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, Nijgh en Van Ditmar, 304 blz. €19,90 (geb.)