Solidariteit hoort bij normen en waarden

Misleiding, generatiekloof, klassenstrijd. Drie etiketten die de massale betoging in Amsterdam van afgelopen zaterdag zijn opgeplakt.

Misleiding. Dat etiket is afkomstig van VVD-leider Van Aartsen. De demonstranten waren volgens hem misleid door de top van de vakbeweging. Deze zou ten onrechte hebben gesuggereerd dat de pensioengerechtigde leeftijd naar 67 zal worden verhoogd en dat de AOW-uitkering niet langer heilig is. Maar ook zonder dergelijke verdere ingrepen blijft er voldoende over om tegen te protesteren. Dus kunnen we de beschuldiging afdoen als illustratie van de verharde verhoudingen in de polder. Laten we de betogers en hun betoging maar serieus nemen.

Generatiekloof. Volgens sommige waarnemers was het protest niet meer dan een echo uit de bejaardensociëteit. Op zichzelf kwam die suggestie niet uit de lucht vallen. Tenslotte is de `insteek' van het kabinet de veronderstelde generatiekloof: straks, of zo men wil nu al, weigeren jongeren te betalen voor ouderen. Ouderen komen vervolgens tegen die weigering in het geweer. Dat het kabinet de tweedeling zelf oproept door de fiscale bevordering van vervroegde uittreding voor de mensen beneden een bepaalde leeftijd in te trekken, laten we verder in het midden.

Waren het overwegend ouderen daar in Amsterdam? Misschien wel, maar de jeugd ontbrak niet en had haar eigen redenen voor protest. Deze krant liet enkele jonge betogers aan het woord. Een student beschikte over een breed scala aan motieven: van het pensioen van zijn moeder, via aangepaste kunstsubsidies tot zijn eigen huisvesting en studiefinanciering. Een ander zag haar doorstroombaan verdwijnen. Maar tegelijkertijd maakte zij zich zorgen over de medemens in de WAO. Een derde ging het ook om een doorstroombaan, maar dan die van zijn moeder. Een vierde, 40, begreep dat hij langer moest doorwerken en dat de ziektekosten voor hem en zijn gezin omhoog zullen gaan. Hij wenste meer, niet minder solidariteit.

Het is naïef om mensen te beschouwen als relatieloos individu. Mensen hebben familie, kennissen en vrienden. Bovendien zijn ze soms zelfs begaan met het lot van vreemden. Na tientallen jaren lang in de polder solidariteit te hebben gepraktiseerd heeft de samenleving haar verinnerlijkt. De conclusie is onontkoombaar: solidariteit behoort inmiddels tot het aanvaarde stelsel van normen en waarden. Mogelijk tot verrassing van politici. Er is (nog) geen generatiekloof ook al wordt er veel en indringend over gepraat.

Gezien de bekende impulsen van werkgevers is het overigens nog maar de vraag of straks ouderen kans maken hun tijd uit te dienen. Waarnemend premier Zalm verwacht dat dit het geval zal zijn. Tijdens de algemene politieke beschouwingen in de Tweede Kamer vorige week verklaarde hij dat het op de arbeidsmarkt om het aanbod gaat, de beschikbaarheid van arbeid. Stimulering van de vraag leidt volgens de bewindsman tot ongewenste looninflatie. Maar tegelijkertijd toont het kabinet zich bezorgd dat het midden- en kleinbedrijf, bekend als de banenmotor bij uitstek, ondanks stimulansen achterblijft bij zijn mogelijkheden om werk te scheppen. De kans dat de van hun vut en prepensioen beroofde oudere werknemers van de toekomst als werklozen eindigen is reëel. Het in de politiek aangehangen geloof dat bedrijven bestaan om banen te scheppen, wordt in ieder geval niet gedeeld door leiding en geldschieters van die bedrijven.

Klassenstrijd. Dat begrip veronderstelt oorlog tussen kapitaal en arbeid. Het gaat nu nog om een conflict tussen vakbeweging en overheid. Werkgevers zien de voordelen van vervroegd vertrek van hun oudere en naar verhouding dure en minder productieve werknemers, zeker zolang dat vertrek uit de algemene middelen wordt meegefinancierd. Het conflict is er aan de oppervlakte dan ook een tussen de sociale partners aan de ene en de overheid aan de andere kant, met de bonden in de aanvalsspits. Maar als overeenstemming tussen overheid en sociale partners uitblijft en de bonden in cao-onderhandelingen reparatie van de geslagen gaten eisen, kan een hevig en langdurig conflict ontstaan langs de oude scheidslijn tussen kapitaal en arbeid.

De neo-liberale ideologie bepaalt sinds jaren de sociale verhoudingen en scheidt politiek en kapitaal van arbeid. Dat is niet alleen in Nederland het geval. De oppositie ziet in buurlanden haar zusterpartijen regeren met een vergelijkbaar programma als waartegen zij in Den Haag te hoop loopt. Links aan de macht betekent niet automatisch dat de verzorgingsstaat met rust wordt gelaten. Tijdens de algemene politieke beschouwingen gaven oppositieleiders toe dat ook volgens hen de sociale arrangementen moeten worden gestroomlijnd. Bij een kabinet van linkse samenstelling zou onder de gegeven omstandigheden sociale vrede evenmin vanzelfsprekend zijn geweest.

Worden in Nederland vergrijzing en ontgroening aangeroepen als alibi voor de ingrepen in de zorg, in Duitsland komt daar een factor bij: de bijzondere plaats die het oosten van het land, de voormalige DDR, daar inneemt. De nieuwe deelstaten hebben, op een enkele uitzondering na, de sprong naar welvaart niet gemaakt, ondanks een reusachtige financiële transfer van West naar Oost sinds de eenwording. De werkloosheid is er belangrijk hoger dan in de westelijke deelstaten en het vertrek van vooral jongeren neemt er jaarlijks toe.

De bondspresident heeft de Oost-Duitsers zelfs aangeraden om niet thuis op werk te wachten maar elders naar een baan op zoek te gaan. Drastische vermindering van steun in geval van werkloosheid vormt een aansporing voor de burgers in Oost én in West om, volgens het neo-liberale jargon, de eigen verantwoordelijkheid te nemen. Een handicap daarbij is dat het grootste deel van de Europese Unie met hoge werkloosheid kampt.

Naast vergrijzing en regionale verschillen binnen de EU is er nog een derde factor in het spel: globalisering. Opkomende lage lonenlanden als India en China verhevigen met hun wassende export de concurrentie op de zogeheten vrije wereldmarkt. Zij beschikken bovendien over een snel toenemend aantal hoogopgeleiden die tegen een belangrijk lagere vergoeding dan in de rijke landen gebruikelijk in `real time' dezelfde kwaliteit werk leveren als hun westerse collega's.

Het is de vraag of de rijke landen op den duur in staat zullen zijn om in deze wedloop hun voorsprong en hun levensstandaard te behouden en veilig te stellen. Over die vraag moet de gedachtewisseling nog beginnen. Niet lang meer kan worden volstaan met het commentaar van een vorige Franse premier dat Fransen nu eenmaal geen Chinezen zijn.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.