Mooi is mooi genoeg

Hoe worden kinderboeken beoordeeld? Herlezing van de juryrapporten van bekroonde kinderboeken, tijdens de vijftigste Kinderboekenweek, laat zien hoe opvoedkundige en maatschappelijke criteria verdwenen. Mooie zinnen, liefst met een filosofische inslag, daar houden de huidige jury's van.

Kleine Sofie is zo ziek dat ze altijd maar in bed moet blijven. En niemand kan of wil haar iets vertellen over hoe het leven nu in elkaar zit, en over de dood. Dan bedenken op een nacht haar eigen knuffeldieren en poppen een toneelstuk, waarin Sofie mag meespelen. Dat leert haar dingen over het leven, zoals het feit dat er arme en rijke mensen bestaan. En ze maakt kennis met vreemde figuren als `Lange Wapper', die alles zegt wat hij denkt.

Kleine Sofie en Lange Wapper van schrijfster Els Pelgrom en tekenaar Thé Tjong Khing is een beroemd boek – in elk geval bij kinderboekenexperts. Toen Kleine Sofie in 1985 een Gouden Griffel kreeg, kwam er veel kritiek omdat het fantasierijke verhaal veel te moeilijk zou zijn voor kinderen. Maar volgens de jury deed dat er niet toe: `We zijn heus niet gaan zitten raden wat kinderen misschien leuk zouden vinden', was het verweer. De jury had alleen maar gezocht naar een bijzonder en mooi boek, stelde onlangs het toenmalig jurylid Joke Linders nog eens tevreden vast: `Wogen bij eerdere bekroningen bijvoorbeeld nog pedagogische of leesbevorderende maatstaven mee, bij Kleine Sofie telden voor het eerst uitsluitend literaire criteria: stijl, compositie, ideeën.'

Het kinderboek bezet tegenwoordig een prachtige plaats in het literaire landschap van Nederland, concludeert de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) in de vijftigste Kinderboekenweek, die deze week plaatsvindt: er zijn tienduizend titels in druk, er bestaan tal van prijzen voor kinder- en jeugdliteratuur en de literaire status van kinder- en jeugdboekenschrijvers is hoog. Dat komt mede dankzij de bekroning van Kleine Sofie, is een veelgehoorde stelling in het boekenvak, omdat daarmee het kinderboek als `echte' literatuur werd erkend. De zeventig oud-juryleden die deze week de prijs voor het beste Nederlandse kinderboek ooit toekenden, hadden Kleine Sofie daarvoor dan ook op de shortlist gezet. De prijs ging naar Brief aan de koning van Tonke Dragt.

Was Kleine Sofie inderdaad zo'n omslag in de beoordeling van kinderboeken? In een halve eeuw hebben jury's 61 boeken bekroond – soms twee boeken per jaar – en daar een rapport over geschreven. Het zijn wel korte rapporten, leert nadere lezing achteraf, die nauwelijks analyses bevatten maar wel veel enthousiaste uitroepen. In het begin waren ze vooral gericht op de opvoeders, later meer op de kinderen. Wie de rapporten goed leest, vindt tal van – vaak impliciete – criteria, maar ziet vooral het getob van deskundigen om uit te leggen waarom een boek nu eigenlijk zo goed is.

Het idee om een `Kinderboek van het jaar' te kiezen, werd geboren in de jaren vijftig, uit angst voor verloedering van de jeugd, die zich onder Amerikaanse invloed leek over te geven aan Coca Cola en Hollywood. Goede, pedagogisch verantwoorde boeken zouden de `kwetsbare' jeugdigen van Nederland daartegen wapenen door hen gevoel voor cultuur en kritische zin bij te brengen. In 1954 koos een jury, waarin ook een pater zitting had, naast kinderboekenschrijver Anne de Vries, voor het eerst het beste kinderboek: Lawines razen van An Rutgers van der Loeff.

Dat was een spannend boek over Zwitserland, maar de jury zag ook veel opvoedkundige kwaliteiten. Het boek was `niet alleen artistiek, maar ook pedagogisch volkomen verantwoord' en daarbij `instructief door de schildering van een milieu, dat de meeste kinderen onbekend is'. De schrijfster werd ten voorbeeld gesteld aan `vele andere auteurs van deze tijd, die blijkbaar uitgaan van de mening, dat een kinderboek vluchtig en oppervlakkig mag zijn'. Een goed kinderboek moest niet alleen mooi en spannend zijn – maar ook leerzaam, ontspannend, fantasievol, begrijpelijk en leesbevorderend.

In de jaren zeventig, toen het kinderboek van het jaar inmiddels met een Gouden Griffel werd bekroond, werd niet zulke ouderwetse burgerzin, maar progressief maatschappelijk engagement een pluspunt bij de beoordeling. De `multiculturele' boeken De Marokkaan en de kat van tante Da en Kon Hesi Baka – beide van Henk Barnard – werden bekroond. Het waren ook de jaren dat bijvoorbeeld feministen kinderboeken doorlichtten op masculiene stereotypen en Jip en Janneke van Annie M.G Schmidt als rolbevestigend veroordeelden.

Vooral de bekroning van Het wereldje van Beer Ligthart van Jaap ter Haar ademt die tijdgeest. Het verhaal van een jongen die door een ongeluk blind wordt, zou tegenwoordig vermoedelijk gelden als een verhaal over de pijn van het volwassen worden, indertijd werd het gelezen met een `maatschappelijke' bril. Het boek dwingt de lezer volgens de jury `zich te verplaatsen in de situatie van de gehandicapte medemens'. Wat de jury conform het sociaal-egalitaire denken in die dagen daarbij erg waardeert is: `Jaap ter Haar laat Beer uit een doorsnee gezin komen: zijn vader is een gewone man zonder auto.' Wel waarschuwde de jury: `Bij jongere kinderen is begeleiding bij het lezen aanbevelenswaardig.'

Van dit soort opvoedkundige en andere buiten-literaire overwegingen was ruim tien jaar later geen spoor meer te bekennen, bij de bekroning van Kleine Sofie en Lange Wapper. `Soms is het net een sprookje, soms een avonturenverhaal', vond de jury, die eraan toevoegde: `Els Pelgrom heeft het verhaal goed verteld.' Waarom uitgerekend dit boek als literatuur werd erkend, wordt niet duidelijk. Het lijkt er vooral op dat de jury zichzelf tot taak had gesteld om nu eindelijk eens gewoon een boek te kiezen `waarvan we zeiden: dat is iets bijzonders, dat zouden meer mensen moeten lezen.' Leesbevordering dus, maar dan toch wel literair verantwoorde leesbevordering, want: `Die Arendsogen en Kameleonnetjes leest iedereen toch wel.'

Deze `literaire waardering' voor Kleine Sofie stond in die jaren niet op zichzelf. Kinder- en jeugdliteratuur ontwikkelden zich begin jaren tachtig ook tot een volwassen studie-object aan de universiteit. Kranten ruimden meer plaats in voor besprekingen van kinderboeken, doorgaans geschreven door critici van naam en faam. Het kinderboek begon in die jaren aan zijn algemene veroveringstocht, die het naar de huidige plaats in het literaire landschap heeft gebracht.

Dat was de nieuwe trend. Toch is het zeker niet zo dat de waardering van het kinderboek als `echte literatuur' pas is begonnen met Kleine Sofie. Zo hadden de keurmeesters van het kinderboek veertig jaar geleden al grote waardering voor Het sleutelkruid van Paul Biegel, dat ook meedong naar de Griffel der Griffels. In deze raamvertelling gaat een wonderdokter op zoek naar het sleutelkruid, waarmee de duizend jaar oude koning der dieren genezen kan worden. Om het hart van koning Mansolein eenmaal per dag te laten kloppen, vertellen dieren de vorst prachtige verhalen en houden hem zo in leven tot de dokter terugkeert.

De jury overzag `de oogst van 1964' en besloot `spontaan' het formidabele debuut van Biegel te bekronen. Goed, het boek was ook `zeer goed bruikbaar voor het jonge kind', maar daarmee was de pedagogische koek wel op. De verhalen waren volgens de jury `spannend, ontroerend en geestig', geschreven in `een dichterlijke taal' en bovendien `sprookjesachtig, wijsgerig' – met een `diepere inhoud', een `verrassende ontknoping' en veel `symboliek'. Kortom, de juryleden hanteerden ook toen al literaire criteria voor het kinderboek.

De Griffeljury's hebben dat trouwens veel vaker gedaan door boeken te bekronen, die, los van de tijdgeest, niet belerend of boodschapperig zijn, maar alleen maar goed geschreven. Zoals de boeken van Annie M.G. Schmidt, die twee keer werd onderscheiden: voor Wiplala en voor Otje. Dat neemt niet weg dat de Gouden Griffels soms nog kritiek wekten in de volwassen-literaire wereld, zoals in 1972, toen twee Gouden Griffels werden uitgereikt. De Griffeljury koos voor De kleine kapitein van Biegel, een sprookjesverhaal over een jongen die met een jeugdige bemanning naar een eiland vaart om groter te worden en uiteindelijk met zijn boot een avontuurlijke tocht maakt over zee. En voor Koning van Katoren van Jan Terlouw, waarin de held van het verhaal tal van opdrachten moet vervullen om koning te kunnen worden en daarbij onder meer een draak verslaat die de milieuvervuiling belichaamt.

Criticus Kees Fens sabelde in de Volkskrant beide boeken neer: de stijl van Terlouw was `conventioneel' en die van Biegel ook, zij het `literair-conventioneel'. Hun boeken gaven `alleen maar verhaal, maar niks aan taal'. Fens gaf de voorkeur aan Pluk van de Petteflet, een ook nu nog immens populair boek over een kleine jongen met een rode kraanwagen die op een heel inventieve manier het park behoedt voor sloop. Schrijfster Annie M.G. Schmidt had moeten winnen, vond Fens, omdat zij een `literaire' stijl hanteerde met haar `springlevend Nederlands', waarin `de poëzie ontspringt aan gewone zaken'.

Dertig jaar later moet je vaststellen dat het prachtige Pluk destijds inderdaad een Gouden Griffel had moeten winnen. Maar Fens' veroordeling van met name Terlouw is niet terecht. Koning van Katoren is niet opvallend mooi geschreven, maar Terlouw slaagt er wel in om het verhaal met doeltreffende zinnen voort te stuwen en de lezer in kort bestek mee te nemen langs spannende, geestige en soms ontroerende scènes, die verrassen door de halfversluierde ideeën en de knipogen naar de grotemensenwereld. Dat is óók een literaire kwaliteit, die Fens veronachtzaamt met zijn oproep: `De jury's moeten toch meer op taal gaan letten.'

Die oproep is overigens verhoord in de jaren na Kleine Sophie. Griffeljury's hebben de laatste jaren een duidelijke voorkeur ontwikkeld voor boeken die nadrukkelijk in heel mooie taal zijn geschreven en die liefst ook nog wat psychologische of filosofische diepgang hebben – zoals goede volwassen romans. Begrippen als `spannend' wegen in juryrapporten aanzienlijk minder zwaar dan bijvoorbeeld `origineel'.

Een fraai voorbeeld van de waardering voor zo'n literatuur van de mooie zinnen is de Griffel die in 1994 werd toegekend aan Bijna iedereen kon omvallen van Toon Tellegen; een filosofisch getint boek vol dieren die met elkaar even speelse als diepzinnige gesprekken voeren, in verhaaltjes die zo kunnen beginnen: `,,Denk je dat wij ooit afgelopen zijn?'', vroeg de mier op een keer.' Prachtige kleine verhalen, die volgens de jury bovendien gaan over `de ondraaglijke lichtheid van het bestaan' van de mier en zijn dierenvrienden, die elkaar `existentiële, filosofische vragen' stellen.

Met name over Tellegens taal was de jury lyrisch. Bij Toon Tellegen `wordt op subtiele wijze een spel met de taal gespeeld. Woorden, begrippen, identiteiten worden binnenstebuiten gekeerd.' En als niet iedereen het kan volgen, dan is dat prima, want `literatuur, en dus ook jeugdliteratuur, wordt pas echt interessant wanneer antwoorden niet al bij voorbaat vaststaan.'

In deze laatste opmerking ligt de opvatting besloten dat er geen wezenlijk onderscheid bestaat tussen literatuur voor volwassenen en kinderen, behalve dat kinder- en jeugdliteratuur `gelezen kunnen worden door kinderen en nog-niet-volwassenen' zoals kinderboekexpert Joke Linders dat noemt. Jan Blokker, zelf vroeger ook kinderboekenschrijver, herhaalde vorige week in de Volkskrant zijn eerder geventileerde opvatting dat het onderscheid niet bestaat: elke thema in een kinderboek is eerst al eens behandeld in een boek voor volwassenen.

Niet iedereen denkt er zo over. De Franse schrijver Michel Tournier bijvoorbeeld, die zelf geen kinderboeken schrijft, ziet wel degelijk een principieel onderscheid tussen literatuur voor volwassenen en voor kinderen. Wordt in grotemensenboeken de bestaande orde vaak aangetast, vindt Tournier, in kinderboeken wordt de bestaande orde juist bevestigd. Kinderboeken kunnen gruwelijk zijn, sprookjesachtig, ogenschijnlijk anarchistisch, fantasierijk, maar uiteindelijk zijn ze conformistisch – in de zin dat de hoofdpersonen zich onderwerpen aan de regels, hoe fabelachtig de regels ook zijn.

Otje van de nogal anti-autoritaire Schmidt draait bijvoorbeeld voor een groot deel om het feit dat Otjes vader geen identiteitspapieren heeft en daardoor geen fatsoenlijke baan kan krijgen. Na tal van omzwervingen regelt een burgemeester autoriteit! de papieren en komt alles op zijn pootjes terecht. Otje is te lezen als een aanklacht tegen de moderne bureaucratie, maar de hoofdpersonen leggen zich er wel bij neer. Dat lijkt op het eerste gezicht een bevestiging van Tourniers stelling.

Bijna iedereen kon omvallen is een veel lastiger geval. De dieren stellen de werkelijkheid ter discussie, bijvoorbeeld zo: `,,Weet je eigenlijk wel zeker dat je een schildpad bent, schildpad?'' vroeg de krekel op een ochtend aan de schildpad.' Typisch een vraag die een kind interesseert: hoe zeker weet je dat je bent wie je bent? Dat kinderen Tellegens verhalen graag lezen duidt erop dat ze de ontregeling van de orde juist wél op prijs stellen. Of wil het kind vervolgens een geruststellend antwoord, dat de bestaande orde weer bevestigt?

Zulke overwegingen laten zien dat jury's kinderboeken niet alleen als literatuur bejegenen, maar zelfs een beetje als literatuur met een grote L. Kinderen lezen veel bekroonde boeken ook graag: de helft van de 61 bekroonde boeken is nog te krijgen – de bulk daarvan is van de laatste twintig jaar. Kinderen lezen daarnaast ook veel niet-erkende boeken, zoals de griezelverhalen van Paul van Loon. In het jeugdtheater komen de `hoge' en `lage' cultuur samen: daar worden zowel boeken van Annie M.G. Schmidt als Paul van Loon gespeeld.

En dan is het ten slotte goed te bedenken dat de als meesterwerken erkende Pluk van de Petteflet en Minoes van Schmidt nooit zijn bekroond. Criteria van jury's doen er niet zoveel toe, betoogde onlangs Anne de Vries, zoon van het jurylid dat in 1954 de eerste keer een boek bekroonde: `Toen ik eens in de jury zat wilde ik hoe dan ook een bepaald boek bekronen, wat de criteria ook waren.' Eigenlijk is het heel simpel: `Een echt goed boek dwingt zijn eigen criteria af.'