Meedogenloze jongeling

In 1961 zag recensent Anton Koolhaas in Vondels `Jozef in Egypte' een pornografische renbaan van verzen. Voor regisseur Hans Croiset gaat het stuk over ,,een vrouw die voor haar liefde alles op het spel zet''.

Het moet een sussende, geruststellende kus zijn die de voedster aan de Egyptische hofmeesteres Jempsar geeft. Zij is gemalin van de farao in de stad Memphis aan de Nijl, in de bijbelse tijd een bloeiende handelsplaats met een vermaard hof. Jempsar is bezeten van de volmaakte jongeling Jozef, een slaaf in dit huis. Hij is de hoofdpersoon in twee bekende drama's van Joost van den Vondel, Jozef in Dothan en Jozef in Egypte, beide uit 1640. Voor het Amsterdamse gezelschap Het Toneel Speelt regisseert Hans Croiset nu, na tal van eerdere Vondel-uitvoeringen, Jozef in Egypte.

Meteen in het eerste bedrijf, in de Rei van Engelen, slaat Vondel toe in ongekend erotische verzen. Jozef in Egypte is het drama van de oudere, getrouwde vrouw die verslingerd raakt aan een jonge man, zo harmonieus gebouwd dat hij, onwetend van zijn schoonheid, in een harmonieus huwelijk niets dan rampspoed aanricht. Jempsar krijgt tal van verwijten naar het hoofd geslingerd; ze zou een `rampzalig dier' zijn, de kwaadaardige koningin van Egypte, een `doortrapte krokodil' en een vrouw die door haar voedster nog `voor de middag in de kleren' moet worden geholpen.

Maar dit laatste wil ze niet. Tijdens haar lange ochtend droomt ze over Jozef.

Zo schrijft Vondel over haar: ,,Vrouw Jempsar, die, ontroerd/ In hare geile geest, zo schendig wordt vervoerd,/ Om buiten spoor van ere en van betaamlijkheden,/ Het vuur van deze pest (die ziel en lijf en leden/ zo dodelijk besmet) te koelen met een kus/ Van Jozefs schone mond, en kuise lippen: dus/ Verslingerd op zijn jeugd en deugd, en zuivre zeden.'' In de ogen van de voedster is haar meesteres een vrouw `dol en ongetemd', beroofd van haar zinnen. Ze vliegt `langs de kamer (...) naakt in het hemd'. Meer tegen de toeschouwers dan tegen deze vrouw fluistert de voedster: ,,Ik zal, in Jozefs plaats, haar mond en wangen kussen.'' (Bewerking: Laurens Spoor)

Jozef in Egypte is in Vondels tijd opgevoerd in de Amsterdamse Schouwburg. Het stuk werd hem niet in dank afgenomen. De gereformeerde kerkvaderen zagen in Vondels bewerking van bijbelse verhalen een gevaar. De schouwburg dreigde de kerk te verdringen. In beschrijvingen uit die tijd valt er geen goed woord voor verleidster Jempsar; ze is `verlekkerd' op Jozef en wil deze godvruchtige en kuise jongen in het verderf storten. Lange tijd horen we niet veel van het drama, totdat in 1961 de Nederlandse Comedie in de regie van Johan de Meester zich aan uitvoering waagt. Over de verhouding tussen de voedster en Jempsar, gespeeld door Ellen Vogel, valt geen onvertogen woord. Kennelijk bleef het bij woorden of een voorzichtig gewisselde, afstandelijke zoen.

Lijnrechte verleiding

Vondels drama kon op weinig bijval rekenen. Regisseur Hans Croiset vond de uitvoering eertijds `te braaf'. Recensent Anton Koolhaas schreef in Vrij Nederland' over een `pover verhaal vol krolse verliefdheid'. En verder: ,,Vijf bedrijven lang lijnrechte verleiding achter elkaar is werkelijk te veel. Het is meer dan te veel: het is potsierlijk.'' Hij neemt Ellen Vogel in bescherming omdat zij nog enige `menselijke trekken' aan Jempsar geeft, maar de tekst krijgt het zwaar te verduren. Koolhaas: ,,De loutere hittigheid die (Vondel) aan Jempsar toemeet over zulk een renbaan van verzen is eerlijk gezegd alleen voor liefhebbers van pornografie, die op het verlossende woord wachten, verteerbaar.''

De beginscène tussen de voedster en Jempsar krijgt in de regie van Croiset alle nadruk, zoals blijkt uit een repetitie in de schouwburg van Amstelveen enige tijd voor de première. Marisa van Eyle in de rol van voedster gaat veel verder dan actrice Lous Hensen eertijds bij de Nederlandse Comedie. In de herinnering van Croiset was het samenspel tussen Vogel en Hensen vooral `verdrietig en geladen' en was de voedster een `lieve, zorgzame vrouw'. Carine Crutzen als Jempsar en Van Eyle komen daarentegen in een onstuimige stroomversnelling terecht. Croiset zegt na afloop: ,,Ik ken in de toneelliteratuur geen rol als die van deze voedster, mits zij bereid is in de begeerte van Jempsar mee te gaan. Maar let wel: Jempsar bevindt zich in een ijle toestand tussen droom en waken. Zij beeldt zich in dat Jozef haar kust. De kracht van Jempsars verlangen is zo groot, dat de voedster zich niet kan verweren.''

Dat Jozef in Egypte een `pover' stuk is, weigert Croiset te accepteren. In eerdere regies als Adam in ballingschap, Lucifer, Faëton, Leeuwendalers/ Een Vondelcommentaar en Gijsbreght van Aemstel heeft hij laten zien dat het maar eens uit moet zijn met het altijddurende misverstand dat Vondel saai of statisch is, dat de verzen niet bruisen en dat de lange monologen de doodsteek zijn voor dramatische kracht. De gevallen engelen in Lucifer zwierden in de toneelhemel van de schouwburg heen en weer op schommels en in Adam in ballingschap waren Adam en Eva niet de eerste mensen, maar de laatste. Ze doolden door een landschap vol puin. Ook aan de titelheld uit Faëton, de overmoedige menner van de zonnewagen, gaf Croiset een overweldigende dynamiek mee.

Hans Croiset probeert zich weleens voor te stellen hoe Vondel dit stuk vol verzengende liefde schreef, daar op zijn werkkamer boven de stoffenwinkel in de Warmoesstraat. Ook vraagt hij zich af hoe het kan dat Vondel nooit een stuk van Shakespeare heeft gezien, al bedroeg de afstand tussen de twee dramaschrijvers niet meer dan een paar honderd kilometer. Croiset: ,,Stel dat Vondel, die de toneelwetten uit de klassieke tijd streng toepaste, een van de grote tragedies van Shakespeare had kunnen lezen of bijwonen, dan zou hem dat vermoedelijk diepgaand hebben beïnvloed. Misschien heeft hij eens door een rondreizend gezelschap Een Winteravondsprookje gezien, niet bepaald Shakespeares krachtigste stuk. Vondel leerde het metier van de spannende tragedie van de Grieken, hij vertaalde Elektra en Oidipous. Voor mij gaat Jozef in Egypte over een vrouw die precies weet dat ze door haar liefde voor Jozef alles op het spel zet. Ze gaat zelfs zover zich als ondergeschikte aan Jozef aan te bieden; ze zegt: ,,Ik wens voor zijn slavin te gaan./ Gelukkig is de vrouw die onder hem mag staan. (...) Geheime min smaakt zoetst, in duistre en diepe holen:/ Daar leeft men bij de nacht: daar glimmen Venus' kolen/ Met levendiger gloed, dan bij de lichte dag.''

Jempsar overvalt de arme Jozef, gespeeld door Hylke van Sprundel, met een niet te stuiten storm van minzieke woorden en voorstellen. Als ze maar één kus van hem krijgt, dan is haar liefdeshonger gestild. Een subtiele ondertoon is de strijd tussen twee godsdiensten, die Vondel erin vervlecht. Jozef is een Hebreeuw, een godsvruchtige jongeman uit de joods-christelijke traditie die in één God gelooft. De Egyptische religie is er een van polytheïsme, waarin ook dieren als de ibis en de krokodil worden verheerlijkt. Het kan Jempsar niet eens zoveel schelen als ze sterft van liefdesverdriet, want in haar overtuiging is het hiernamaals een paradijs van durende opwinding. ,,Daar wordt men weder maagd: daar leert men weder vrijen'', houdt zij Jozef voor. In haar paradijs bestaat de zonde van het overspel niet.

Zandplaat

Hoe sterk Vondel zich ook inleefde in het drama dat zich in de woestijnhitte van Memphis afspeelt, hij blijft opmerkelijk trouw aan typische Hollandse metaforen die over zee, schipbreuk, woeste golven en stormwind gaan. Jozef is zo onthutst door de liefde die de hooggeplaatste vrouw van hem eist, dat hij zich voelt als een schip `gesold, geslingerd door vier winden' dat vastloopt op een zandplaat. Dit `zandplaat' klinkt uit de mond van Jozef, toch een kind uit het mediterrane gebied, als een topografisch Fremdkörper. De Middellandse Zee kent geen zandplaten en de Nijldelta is vooral drassig en moerassig.

Uiteindelijk haalt Jempsar een truc uit. Jozef geeft geen krimp, hij blijft kuis. Zijn afwijzing wekt haar haat. Ze lokt hem onder valse voorwendselen haar boudoir in en rukt hem het hemd van het lijf. Dan schreeuwt ze in het rond dat Jozef haar heeft aangerand. Als bewijsstuk geldt Jozefs zwarte kledingstuk, dat op de stenen vloer slingert. Haar man gooit de onschuldige Jozef in een kerker. Is Jempsar nu zo kwaadaardig, zo'n `rampzalig dier'? Is Koolhaas' opmerking terecht over de pornografische renbaan van Vondels poëzie? Nee, niet. De kern van haar liefdeszucht schuilt in de prachtige tweespraak tussen Jempsar en Jozef in het vierde bedrijf. Voor Jempsar is hij een `onmeêdogend gast' ofwel de `meedogenloze jongling' die met zijn stralende, ongeschonden jeugd haar herinnert aan haar eigen vergankelijkheid. Zij wil met Jozef het eeuwige geluk bereiken, zoals dat alleen in het paradijs bestaat.

Jempsars tekst in deze beslissende scène is een loflied op de hemelse, onbedreigd-sensuele liefde: ,,Men liefkoost onbenijd, als duiven zonder gal./ Men brandmerkt niemand daar met lasterlijke namen./ Al wisselt men somtijds uit zinlijkheid van lief,/ Dat draagt alleen de naam van vriendschap en gerief.''

`Jozef in Egypte' door Het Toneel Speelt. Regie: Hans Croiset. Première: 12/10 Stadsschouwburg Amsterdam. Tournee t/m 11/12. Inl.: 020-523 77 67; www.hettoneelspeelt.nl

`Zandplaat'

is uit de mond van Jozef

een topografisch Fremdkörper