Laat de sociale partners hun eigen zaken blijven regelen

Het is navrant dat het kabinet juist de regelingen voor prepensioen heeft uitgekozen om het gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef van de sociale partners aan de kaak te stellen, vindt Paul de Beer.

De arbeidsdeelname van ouderen is in Nederland de afgelopen tien jaar met 16 procentpunten gestegen. Dat is meer dan in enige andere lidstaat van de Europese Unie. Inmiddels werkt in ons land al 57 procent van de mannen van 55-64 jaar, 7 procent meer dan in een doorsnee EU-land.

Nederlandse mannen verlaten de arbeidsmarkt gemiddeld als zij bijna 63 jaar zijn, twee jaar later dan gemiddeld in de EU. Voor vrouwen liggen de Nederlandse cijfers weliswaar lager, maar dat komt omdat zij nog bezig zijn met een inhaalrace. De arbeidsdeelname van vrouwen behoorde in Nederland jarenlang tot de laagste van Europa, maar is inmiddels opgeklommen tot ruim boven het EU-gemiddelde.

Toch is het huidige kabinet van mening dat de arbeidsparticipatie van ouderen in Nederland verontrustend laag is en voorziet het grote problemen als daar niet snel verandering in komt.

Kennelijk ziet het kabinet niet dat Nederland veel beter is voorbereid op de grijze wolk die dreigend aan de horizon hangt dan de meeste andere EU-lidstaten. In de jaren '90 hebben de sociale partners in bijna alle bedrijfstakken afspraken gemaakt om de VUT-regelingen, waarbij jongeren voor ouderen betalen, om te zetten in prepensioenregelingen, waarin ieder voor het eigen (pre)pensioen spaart. Weliswaar voorzien veel van deze afspraken in lange overgangstermijnen, om te voorkomen dat oudere werknemers hun rechten zouden verliezen zonder dat zij tijd hebben om voldoende te sparen, maar bovenstaande cijfers laten zien dat deze aanpak niettemin heel effectief is geweest.

Het illustreert hoe de sociale partners, als zij voor de taak staan zelf een oplossing te vinden voor een probleem dat zij niet op de overheid of de gemeenschap kunnen afwentelen, heel goed in staat zijn tot een doeltreffende aanpak. Het is dan ook navrant dat het kabinet juist de prepensioenregelingen heeft uitgekozen om het gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef van de sociale partners aan de kaak te stellen.

Het is waar dat de sociale partners lang niet altijd hun verantwoordelijkheid (willen) nemen. Het beruchtste voorbeeld hiervan is het misbruik dat vakbonden en werkgevers in de jaren '80 van de WAO maakten om overtollige werknemers op kosten van de gemeenschap te laten afvloeien.

De fundamentele fout in het systeem was echter niet, zoals meestal wordt gesteld, dat je de verantwoordelijkheid voor een dergelijke regeling niet aan de sociale partners kunt overlaten. Nee, het probleem was juist dat zij te weinig verantwoordelijkheid droegen, waardoor zij de kosten van hun gedrag konden afwentelen op de gemeenschap.

Inmiddels zijn deze problemen voor een groot deel verholpen, doordat werkgevers in het eerste – en binnenkort ook het tweede – ziektejaar de uitkering zelf moeten betalen en doordat de WAO-premie afhangt van het beroep dat men op de uitkering doet (de zogeheten PEMBA), waardoor het moeilijker wordt de kosten af te wentelen.

Maar juist nu deze maatregelen vrucht afwerpen en de instroom in de WAO fors is teruggelopen, acht het kabinet opnieuw een drastische hervorming nodig. Het kiest echter opnieuw voor een onheldere verdeling van de verantwoordelijkheid waarbij volledig en duurzaam arbeidsongeschikten onder een publieke regeling vallen, terwijl de zorg voor gedeeltelijk en tijdelijk arbeidsongeschikten bij het bedrijfsleven wordt gelegd. Dit zal de prikkel om zoveel mogelijk mensen `met een vlekje' volledig arbeidsongeschikt te laten verklaren, weer fors doen toenemen.

Uitgaande van zijn eigen motto van de eigen verantwoordelijkheid zou het kabinet er verstandiger aan doen een geheel andere verantwoordelijkheidsverdeling voor de sociale zekerheid te kiezen.

Uitgangspunt zou moeten zijn dat er, wegens de grote verschillen tussen sectoren en beroepsgroepen, geen reden is om te streven naar een uniforme wettelijke regeling. Het probleem van de arbeidsongeschiktheid in de bouw is van geheel andere aard dan de uitval wegens stress en burn-out in de bankensector. Vrijwel niemand ontkent dat een havenarbeider na veertig jaar zware arbeid rond z'n zestigste zou moeten kunnen stoppen met werken, terwijl een hoogleraar gemakkelijk tot na z'n 65ste zou kunnen doorgaan.

Het is dan ook niet zinvol om, zoals het kabinet wil, voor alle beroepen en bedrijfstakken een zelfde uittredingsleeftijd van 65 jaar na te streven. Veel beter is het om per sector de regeling te kiezen die het beste aansluit bij de wensen en mogelijkheden van bedrijven en werknemers in die sector. De verantwoordelijkheid daarvoor kan heel goed worden overgelaten aan de sociale partners.

Daar is nog een andere reden voor. De gevolgen van de vergrijzing zullen niet het sterkst worden gevoeld door de overheid, maar door het bedrijfsleven zelf. Als de babyboomgeneratie de komende tien jaar met pensioen gaat, zullen bedrijven steeds meer moeite krijgen om de vrijkomende arbeidsplaatsen te vullen met jongeren. Slagen zij er, bij een aantrekkende economie, niet in voldoende jongeren aan te trekken, dan hebben zij er zelf het grootste belang bij om hun oudere werknemers te overreden om langer door te werken, ook als dezen van hun prepensioenregeling gebruik kunnen maken.

Uit onderzoek is gebleken dat bij de uittredingsbeslissing van oudere werknemers niet de inkomensteruggang doorslaggevend is, maar de vraag of zij het werk nog leuk vinden en of zij voldoende worden gewaardeerd door hun leidinggevenden. Die factoren zullen niet veranderen door de prepensioenregeling af te schaffen, maar alleen doordat werkgevers het uit eigen belang voor oudere werknemers aantrekkelijker zullen maken om door te werken.

Anders dan het kabinet wil doen geloven, zijn de prepensioenregelingen een goed voorbeeld van de wijze waarop de sociale partners tot maatschappelijk verantwoorde afwegingen kunnen komen indien zij de kosten van hun gedrag niet kunnen afwentelen op de gemeenschap. In plaats van deze regelingen fiscaal te ontmoedigen, zou het kabinet hier beter lering uit kunnen trekken door ook bij andere onderdelen van de sociale verzekeringen, zoals de arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsregelingen, de verantwoordelijkheid meer bij de sociale partners te leggen.

Dit kan worden gerealiseerd door vakbonden en werkgevers op bedrijfstakniveau verantwoordelijk te maken voor zowel de uitkeringen als de financiering ervan, zodat zij de kosten niet langer kunnen afwentelen op de gemeenschap. Het kabinet zou hiermee de houdbaarheid van ons sociale stelsel een betere dienst bewijzen dan met zijn poging de sociale zekerheid te `redden' door het voor zo weinig mogelijk mensen toegankelijk te maken.

Paul de Beer is bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam, tevens verbonden aan het Amsterdams Instituut voor ArbeidsStudies (AIAS) en De Burcht.