Krant is een mentaliteit

Crisis bij de kranten. Oplages stagneren of duikelen, niet alleen in Amerika, maar inmiddels ook in Europa. Uitgevers zoeken naar allerlei manieren om een ander, jonger publiek te bereiken dat niet meer vanzelfsprekend een dagblad leest. Deze krant gaf daar vorige week een voorbeeld van met twee proefnummers van een ochtendeditie op tabloid-formaat. Achter de crisis gaan ingrijpende sociaal-economische verschuivingen schuil: individualisering van leefpatronen en van consumptiegedrag; ontlezing van oude media; gelijktijdige globalisering en regionalisering van het nieuws; en een ruim aanbod aan concurrerende media.

Jan Greven, oud-hoofdredacteur van Trouw en de laatste jaren van zijn actieve loopbaan directeur van PCM-dagbladen (uitgever van onder meer Trouw, de Volkskrant, Algemeen Dagblad en NRC Handelsblad) maakt zich grote zorgen om de kwaliteit van de pers. Maar in zijn essay Een kwestie van kwaliteit, geschreven op verzoek van het Katholiek Instituut voor Massamedia (KIM), besteedt Greven nauwelijks aandacht aan de structurele veranderingen in de westerse samenlevingen en de gevolgen daarvan voor de pers. Het probleem met de Nederlandse pers is volgens Greven overzichtelijker: die heeft zich van de eigen samenleving vervreemd door zich, zoals tijdens het Bestel van de jaren vijftig, te verbinden met een elite, de `bulldozergeneratie' van de jaren zestig. `De blikrichting van de journalistiek is links georiënteerd', aldus Greven, en daar ligt de oorzaak van de malaise. Het tij van de jaren zestig is inmiddels gelukkig allang aan het verlopen, maar de politiek-correcte dagbladpers en televisie hebben dat nog steeds niet door, aldus Greven, getuige het feit dat ze werden overrompeld door het fenomeen Fortuyn.

Zou het zo simpel zijn? Een eerste probleem van Grevens `mentaliteits'-analyse is, dat Fortuyn als fenomeen werd gedragen door maatschappelijke krachten die nu juist in de jaren zestig zijn losgemaakt: hang naar individualisme en anti-autoritaire afkeer van regenten. De jaren zestig lieten heus meer na dan zedenverwildering of het stoflaagje linksigheid dat nog over de publieke omroepen ligt. Bovendien, als de Nederlandse pers echt zo links is (inclusief de Telegraaf, die Fortuyn immers ook niet zag aankomen), waarom vertoont de krantenconjunctuur hier dan vrijwel dezelfde curve als in Amerika, of in andere Europese landen waar Ad Melkert nooit aan de macht kwam? Kennelijk spelen er factoren die dieper gaan dan de eeuwige smoes van politieke correctheid.

Als oud-topman van een mammoetconcern in de krantenwereld zou Greven daar veel over kunnen uitleggen, maar een blik in de keuken geeft hij niet echt. Hij spreekt zijn sympathie uit voor de hoofdredacteuren die nu in een benarde positie verkeren, hij hekelt redactiestatuten als producten van de jaren zestig, en hij sneert over de `grondzee van rancune en ongearticuleerde woede' die soms naar boven komt op redactievergaderingen. Allemaal best. Maar we worden niets wijzer over de rationalisering en stroomlijning van het krantenbedrijf sinds de jaren tachtig, de nieuwe verhoudingen tussen directies en hoofdredacties, of de professionalisering van het beroep volgens normen die de nadruk leggen op ontzuild vakmanschap. Zouden die processen niet evenveel, of zelfs meer, hebben bijgedragen aan de uniformering van de pers die Greven zo betreurt, dan de vermeende hegemonie van een links levensgevoel?

Jan Greven: Een kwestie van kwaliteit. Essay en debat. Valkhof Pers, 68 blz. €9,–