Kabinet reduceert eigen product tot B-merk

Werknemers zijn al jaren dol op vroegpensioen, een echt A-merk. Levensloop, de tegenhanger van het kabinet, slaat niet aan. Te veel dominees in het kabinet, te weinig kooplieden?

De peilingen zijn verpletterend. De politieke barometer van Nova gaf de PvdA vorige week 54 kamerzetels, eentje meer dan CDA en VVD samen. De regeringscoalitie staat nu op een verlies van 20 zetels.

Peilingen van de sociaal-economische voorkeuren van werknemers zijn zo mogelijk nog verpletterender. Niet op weekbasis, maar al járen. Onderzoeken geven één uitkomst: mensen willen eerder stoppen met werken dan op hun 65ste.

In 2000, in een peiling van onderzoeksinstituut Nidi: 34 procent wil op zijn 56ste met pensioen. De meeste animo (39 procent) is voor stoppen op 60.

Drie jaar later: werkend Nederland wil, gemiddeld genomen, al voor zijn 59ste stoppen. Maar ja, tussen droom en daad... De onderzoekers voegen nu twee vragen toe: op welke leeftijd verwacht u met werken te stoppen? Ruim 62 jaar. En tot wanneer kunt u doorwerken? Mensen met lagere inkomens zeggen bijna 62, middeninkomens bijna 63 en hogere inkomen? 65 jaar.

Vorige maand, uit een onderzoek van De Nederlandsche Bank: 50 procent wil uiterlijk tot zijn 62ste werken, 30 procent tot zijn 60ste.

In marketingtermen: eerder stoppen met werken is een sterk merk, een A-merk. Wie met dat `product' wil concurreren, zoals het kabinetsbeleid doet, moet met een alternatief komen dat overtuigt en aantrekkelijk verpakt is. Producenten van levensmiddelen, zoals Unilever, maken bij de lancering van een nieuw merk afspraken met de verkopers, de grootwinkelbedrijven, zoals Albert Heijn en Super De Boer voor promotie, kortingen, ruimte in de schappen. Zo niet het kabinet. Dat negeert nu werkgevers en vakbonden.

Het kabinet schrapt met een overgang van tien jaar de fiscale begunstiging van VUT/prepensioen. De Raad van State is kritisch, het Centraal Planbureau was afgelopen week nog kritischer. Het Museumplein staat vol, stakingen beginnen. Maar het curieuze is, dat werknemers wel open staan voor alternatieven.

Mensen werken aantoonbaar langer door sinds de VUT-regelingen in het midden van de jaren negentig in de ban zijn gedaan. Werkgevers en vakbonden hebben toen onder druk van de oplopende kosten en op instigatie van het toenmalige kabinet op grote schaal regelingen voor de VUT omgezet in vroegpensioen. Het uitbannen van VUT-regelingen is effectief: het prijskaartje voor eerder stoppen wordt niet langer geheel bij andere werknemers gelegd, maar bij de gebruiker zelf. Bij prepensioen spaart ieder voor zich. Bij VUT betalen anderen. En doordat de meeste werknemers te weinig prepensioen hebben gespaard, werken zij door. Zo werken financiële prikkels.

Bovendien blijkt uit (weer een ander) onderzoek van het Nidi, dat de steun toeneemt om een halt toe te roepen aan eerder stoppen met werken. Op de vraag `Hoe wilt u de AOW betaalbaar houden' zegt 35 procent: schaf vervroegd uittreden maar af. De animo daarvoor is bijna de helft groter dan in 1990.

De verschuivende consumentensmaak biedt kansen voor het kabinetsproduct dat vroegpensioen moet vervangen: levensloop. Dat is een spaarpot voor scholing, zorgverlof, zelfs voor eerder stoppen. Maar waarom maakt het kabinet-Balkenende van zijn eigen product een B-merk? Zitten er te weinig kooplieden in het kabinet en te veel dominees?

Het wetenschappelijk instituut van het CDA had in maart nog wel zo'n handzaam rapport gepubliceerd over levensloop. Onder de opstellers zijn Herman Wijffels (SER, CDA) en Lans Bovenberg (Universiteit Tilburg, CDA), de slimste pensioendenker van Nederland.

Minister De Geus (CDA) heeft het rapport bijna helemaal doorgevoerd. Met één uitzondering: het kabinet maakt van levensloop een individuele spaarrekening, die niet in het arbeidsvoorwaardenoverleg wordt geregeld. Vakbonden en werkgevers en hun gezamenlijke collectiviteiten genaamd pensioenfondsen mogen met levensloop geen bemoeienis hebben. De pensioenfondsen doen nu het vroegpensioen, maar levensloop is voor banken en verzekeraars.

Daarmee beperkt het kabinet de keuzevrijheid van werknemers én werkgevers. Op zoek naar sluipweggetjes. Zo is pensioengigant ABP wel gelieerd aan, maar geen eigenaar van een verzekeraar (Loyalis). Die kan een gooi doen naar de verkoop van levensloopproducten.

Principiëler: kan het kabinet zomaar de contractsvrijheid van werkgevers en werknemers bij levensloopproducten verbieden? ABP zegt bijvoorbeeld dat een collectieve regeling wel 30 procent goedkoper is dan een individuele polis. Leve de pensioenfondsen, zegt de vakbond.

Maar een werkgever die níet voor een collectieve regeling kiest kan een dief van zijn eigen portemonnee zijn: van hem wordt verwacht dat hij ook geld in de levensloopspaarpot stort. Hoe minder aan de strijkstok van de producent blijft hangen, hoe goedkoper voor de werkgever. Sterker nog: hoe meer werknemers meedoen, hoe meer voordeel de werkgever met hen kan bedingen. Geen verplichte regeling voor iedereen, maar wel een groepsregeling voor wie het wil. Dat is de keuzevrijheid van het kabinet, met het collectieve gevoel van de vakbonden.