Hout, koken, vrede

Het Noorse Nobelprijscomité heeft met de vredesprijs 2004 op veilig gespeeld. En het heeft de wereld ook verrast. De eer en het geld gaan naar de relatief onbekende Keniase activiste Wangari Maathai (64) voor haar werk in de Afrikaanse milieubeweging. Ze heeft zich onder andere onderscheiden door het planten van miljoenen bomen om de enorme ontbossing in haar land en werelddeel tegen te gaan. Maathai, Kenia's plaatsvervangend minister van Milieu, krijgt de prijs voor haar bijdrage aan ,,duurzame ontwikkeling, democratie en vrede'', aldus het comité.

Dit keer dus geen politiek signaal aan een van de grootmachten in de wereld. Geen wereldleider die hetzij verdiend hetzij voorbarig deze prijs aller prijzen in de wacht sleept. Hij gaat naar een vrouw die als geen ander Afrika's dodelijke paradox kent: de ontbossing wordt mede veroorzaakt door huisvrouwen die hout nodig hebben om te koken; om te voldoen aan de meest primaire levensbehoefte die de mens kent – eten. Geen bomen, geen eten. En geen eten geen vrede – het is een logische zij het misschien wat vergezochte sequentie. De keus van het Nobelcomité dit jaar is spannend te noemen. Maar omdat de prijs naar zijn aard nu eenmaal naar de stichters van vrede hoort te gaan, moet de vraag ook luiden: heeft Maathai daadwerkelijk vrede gesticht? En hoe dan, en waar? Dat zal niet aan iedereen even duidelijk zijn. In die zin is kritiek mogelijk.

Ongetwijfeld is het toekennen van deze hoogste politieke eer in de wereld een opsteker voor Afrika – Maathai is de eerste Afrikaanse die de vredesprijs wint – en zeker voor de vrouwen van Afrika. Vorig jaar ging de Nobelprijs voor de vrede ook al naar een vrouw, de Iraanse mensenrechtenactiviste Shirin Ebadi. Gisteren kreeg tot veler verrassing de strenge Oostenrijkse schrijfster en feministe Elfriede Jelinek de Nobelprijs voor literatuur. Een verband hoeft er niet te zijn, maar opmerkelijk is het wel.

In het geval van Wangari Maathai geldt de prijs meer als bekroning van een bereikt resultaat dan als aanmoediging. Haar resultaten zijn tastbaar en bevinden zich dicht bij huis: betere leefomstandigheden. Op zichzelf is dat prijzenswaardig genoeg, maar het zou interessant zijn om te onderzoeken of haar acties en haar aanpak invloed hebben gehad op de grote en bloedige oorlogen die het continent het afgelopen decennium heeft doorstaan. Helpt het planten van bomen tegen het het plegen van genocide? Het is mogelijk; oorlogen gaan vaak over schaarse hulpbronnen.

Maathai is, vanuit westers perspectief bezien, geen voor de hand liggende keuze. In een jaar dat door oorlog en terreur wordt gedomineerd had het niet misstaan als het Nobelcomité geen prijs had uitgereikt. En een traditionele vredesprijs hébben de leden ook niet toegekend, ze hebben voor een verrassing gekozen. De persoon en haar zaak aan de vrede verbinden ligt op het eerste oog niet erg voor de hand. Maar bij nadere beschouwing kunnen Wangari Maathai's praktische inspanningen om ontbossing tegen te gaan, voor het welbevinden van Afrika wel eens veel belangrijker zijn dan welke geopolitieke onderhandelingen dan ook.