Het witte licht

Geen songstructuren of akkoordenschema's, maar rock'n'roll: bij de Jon Spencer Blues Explosion houden verleiden en bang maken elkaar in evenwicht.

Stelt u zich een meid van negentien of een jonge man van vijfentwintig of een man van middelbare leeftijd voor, die ooit dwarsfluit hebben gespeeld. In die kunstzinnige bezigheid is in de loop der jaren de klad gekomen en zelfs luisteren naar dwarsfluitmuziek doen ze niet meer. Nu doen ze een sprong in het diepe. Ze zijn met bonzend hart en zonder het iemand in hun omgeving te vertellen naar een winkel gegaan, waar ze de goedkoopste elektrische gitaar en de kleinste versterker aanschaften. Met zweet in de handen en een kleine 200 euro armer haastten ze zich terug naar huis. De man in de winkel heeft het instrument gestemd en er een boekje met tips en akkoorden voor beginners bij gedaan.

Nu zitten de tiener, de late twintiger en de man op leeftijd ieder in de beslotenheid van hun huis en draaien voorzichtig aan de knopjes van het ruisende, knetterende versterkertje. Ze hebben er tegenover de man in de winkel geen twijfel over laten bestaan, dat ze een echt stevig geluid willen. Het hoeft niet hard te zijn, als het maar hard lijkt. Rauw, lekker. Gaat u een bandje oprichten?, vroeg de man met een scheve glimlach. Nee, geen van de drie ambieert dat. Ze hoeven ook helemaal niet op te treden. Ze willen niet eens bekende nummers leren spelen. Voorlopig niet. Ze hebben de gitaar gekocht om te ervaren hoe het is om zelf het opwindende geluid op te wekken van een vervormde elektrische gitaar. Het veelkleurige klikken en plokken van de half afgedekte snaren. Het dreigende loeien van de laagste drie. De rinkelende of snerpende geluiden uit de hoogste drie en natuurlijk het bedwelmende gieren, fluiten en jammeren van de hogere registers. Met vlinders in de buik van de voorpret gaan ze aan de slag. En al na een paar dagen gaat de voet op en neer en vormt zich een loom bonkend ritme in het eerste akkoord. Een brede grijns vormt zich op de drie gezichten.

Waar wordt naar verlangd in deze scène? Het brandpunt is duidelijk het vervormde gitaargeluid, maar om te beweren dat deze mensen gitarist willen worden, gaat te ver. Zodra ze een stuk of tien akkoorden kennen is hun musicologische nieuwsgierigheid gestild. Het gitaargeluid is namelijk ook een denkbeeldige toegang tot een roffelend, beukend drumstel en een extraverte, opwindende, maar ijskoude zanger. Deze drie heel verschillende mensen zijn in de greep van een verlangen, dat wel muzikaal maar vooral narcotisch van aard is. Ze willen de roes die ze kennen van optredens en uit de luidsprekers van hun stereo voelen in hun hand en tegen hun buik. Het is het verlangen naar rock'n'roll. Naar de uit simpele muzikale elementen gebrouwen, bedwelmende mix van herrie, seks en lef.

The Jon Spencer Blues Explosion, (ook wel Blues Explosion), opgericht in 1991, is het best denkbare voorbeeld van een band die zich volledig richt op de eigenaardige kracht en tijdloosheid van dat verlangen; te meer daar ze zich scherp bewust tonen van de clichés, de absurditeiten en de raadsels die voortkomen uit het volgen ervan. Zoals ziektes het meest vertellen over de werking van organen en hun onderlinge relaties, zo zijn het de extremisten en buitenbeentjes die het duidelijkst inzicht geven in rock'n'roll.

De prehistorie van de Blues Explosion is extremistisch en legendarisch. Jon Spencer leidde tussen 1985 en 1989 de band Pussy Galore. Zo minimalistisch als de gebruikte muzikale middelen waren, zo maximalistisch was de stijl van spelen en optreden. Binnen twee jaar werden ze van volstrekte onbekenden tot culthelden van de Amerikaanse underground. Primitief, obsceen, absurdistisch, chaotisch, laten dat de trefwoorden zijn voor de achtergrond waaruit Spencer een paar jaar later in New York met de gitarist Judah Bauer en de drummer Russel Simins de Blues Explosion oprichtte. Op de eerste albums is een beheerste versie van de chaosrock van Pussy Galore te horen. Maar van liedjes met een refrein en een couplet is nog steeds geen sprake. Het draait om de twee tegen elkaar in hakkende, plokkende, gierende gitaren en de inventieve, ratelende drums van Simins. Het zijn collages van riffs, soms in verspringende toonsoorten, plotseling versnellend, tijdelijk overgoten met pure storing. Spencers vocale bijdragen bestaan uit flarden zang, perfect getimede kreten (Come on! Hey baby! Oh Lord, Sock it to me! Laydies uhn Gennulmun!), gekreun (Uhuh!) en gepraat in een overdreven platte tongval. Zijn stem is meestal vervormd door beschadigde microfoons en overdreven echo. Zo klungelig en anti-muzikaal als deze opsomming ook mag klinken, het resultaat is gek genoeg ongemeen fris en avontuurlijk. Deze met flair in elkaar geflanste, korte nummers zijn mozaïekjes van clichés uit blues, rock, funk en rockabilly. Zonder het solide fundament van een zoemende baslijn houdt de muziek iets rammelends en instabiels. Tegelijkertijd is het overrompelende, levenslustige en wild swingende rock'n'roll, die je nergens anders hebt gehoord.

Met het album uit 1994 Orange vinden ze hun vorm. Het geluid is helderder, de muziek gevarieerder. Traditioneel ingestelde rockliefhebbers gruwen van de provocerende ironie, het isoleren en overdrijven van de inmiddels al bijna een halve eeuw oude maniërismen. Een uitzinnige ode aan wijde broekspijpen, aan de voortreffelijkheid van volwassen vrouwen (baby baby you sure like to fuck!) wekken de indruk dat hier een opzettelijk irritante vorm van postmoderne ironie op de bluesrock is losgelaten. Met dik opgezette Elvis-achtige stem predikt Spencer bovendien de superioriteit van zijn band (we are number One!) en het onweerstaanbare sex-appeal van de Blues Explosion Man en zijn verrukkelijke zweet. Geen grotere zonde denkbaar tegen de zuivere rock'n'roll dan parodie en ironie, luidt een moderne gemeenplaats. Rock'n'roll wordt daarin gezien als een recht uit het hart komende muzieksoort, die op zijn best is zonder slimmigheden van muzikale of intellectuele aard. Een politiek geÏnspireerde emotie is tot daar aan toe, als het maar oprecht gemeend is.

Je kunt het ook anders bekijken. Als de aantrekkingskracht van rock'n'roll niet berust op mooie liedjes, gevoelig verwoorde emoties of muzikale hoogstandjes, maar op de versmelting van herrie, seks en lef tot die een kritische massa bereikt, dan is de muziek van de Blues Explosion een authentieke modernisering van het klassieke idioom. De ironie en parodistische overdrijving maken deel uit van het lef, waarzonder er geen rock'n'roll kan bestaan. In de jaren zestig, toen de welvaart nieuw was, sloegen sommige bands hun instrumenten op het podium aan stukken. Het gaf een afschuwelijke kabaal en was een uiting van onverschilligheid. Die `cool', de onaangedaanheid in het oog van de storm die een rockband veroorzaakt, is een wezenlijk onderdeel van rock'n'roll. En al vanaf het begin. Je kunt het zien in de ijskoude blik van Jerry Lee Lewis als hij vol plezier en minachting naar zijn uitzinnige publiek kijkt. In de zelfverontschuldigende scheve glimlach van Elvis als hij zijn heupen schudt. De grijns van Keith als hij een openingsriff speelt. Juist dat hij het lijkt te doen zonder er in te geloven, vergroot de opwinding.

De uitzinnigheid van herrie en onderbuikritmes behoudt zijn vorm door de onverschillige manier waarop de rockartiest speelt met zijn macht. Het lef, de coole pose van de rockartiest berust op het idiote, arrogante zelfvertrouwen dat zijn geluid, zijn ritmes, zijn kleinste bewegingen en uitroepen onweerstaanbaar zijn. En de moed zo idioot te zijn roept ontzag op. Hier zit iemand perfect in zijn vel! Mede door het simpele karakter van de muziek, het formule-achtige ervan, schemert daar natuurlijk het ridicule doorheen. Het heeft iets absurds, die opwinding, en de echte rockartiest weet ook dat gevoel te bespelen. Hij laat doorschemeren dat hij weet heeft van die absurditeit en wendt arrogante onverschilligheid voor. Het spel draait om het punt waar `cool' en zelfspot elkaar in evenwicht houden. Waar verleiden en bangmaken samenvallen. Waar behagen en provoceren hand in hand gaan. Wat nu juist zo bedwelmend is aan rock'n'roll is dit moment, waar een koele speelse ruiter het wilde paard van lust en agressie berijdt. Alle human interest, alle bedoelingen en expressie, alle tekst en uitleg, alle sentiment staan buiten spel. Is dat punt bereikt, dan gaat de muziek nergens meer over. Zelfs niet over muziek. Dan is er wit licht.

Jon Spencer en zijn band staan bekend om hun woeste, intense optredens. Spencer is een podiumbeest, hij grijpt alle middelen aan de boel op stelten te zetten, maar al is hij de cartoonachtige overdrijving van een rockartiest en een uitzinnige Amerikaanse preacher, hij blijft `cool'. Buiten het podium is hij een rustig, vrij zwijgzaam, bijna verlegen man. Hij is al twintig jaar met dezelfde vrouw getrouwd en is vader. Als de romantiek van rock'n'roll als levensstijl een religie is, dan is hij uiterst vrijzinnig, op het ongelovige af.

Het is de laconieke, uitbundige en vooral in de vroege jaren ondeskundige demontage van het blues-, rock- en funkidioom die de Blues Explosion toegang gaf tot het construeren van een eigen, authentieke manier om de geliefde bluesrock te spelen, zonder in de herhaling van de traditionele schema's te vervallen. Ze hielden niet van de songstructuren of van de akkoordenschema's, maar van rock'n'roll. De magie van rock'n'roll zit in ritme, geluid, en het mysterie van de pose, niet in liedjes. De ironie, het kapothakken en verdraaien van de muziek en de cartooneske overdrijving van vocale stijlen, gaven juist een vrijbrief helemaal op te gaan in de muziek. Hun experimenteerdrift en avontuurlijkheid zijn geen doel op zich, maar manieren om meer rock'n'roll te veroveren. Toch zal er altijd iets van de oplichter en charlatan om de act van Spencers Blues Explosion hangt. Godzijdank, zo blijven gedachten over het eventuele kunstgehalte op afstand.

Wat mij betreft is het album Now I Got Worry uit 1996 het voorlopige hoogtepunt van de band. Het is gemaakt in de tijd dat de band contacten legde met oude bluesmannen uit Mississippi die worden uitgebracht door het label Fat Possum. R.L. Burnside, Model T. Ford, het zijn mannen die een leven vol armoe, geweld en gevangenissen achter de rug hebben en rauwe, simplistische blues maken. Elektrisch en soms behoorlijk onorthodox als het om de bluestraditie gaat. Muziek uit een plattelandsunderground, ver van de muziekindustrie en de aangeharkte vormen van blues en rock. Deze ontmoeting met de traditie in het wild miste zijn effect niet. Hoewel de baldadigheid en de stadse nervositeit niet afnemen, lijkt er een evenwicht te zijn ontstaan tussen de ironie en het geloof in wat je de waarheid van het eenvoudige muzikale idioom kunt noemen. Minder helder dan op Orange, bij vlagen chaotischer, maar broeieriger en spannender is de muziek. Wat hier gemeend of gespeeld wordt is totaal onduidelijk geworden. De liefdesbetuigingingen, de uitgeschreeuwde wanhoop en verbijstering, ze zijn even hilarisch als aangrijpend. De ironische pose staat volledig in dienst van de muziek; als de zelfverzekerde stuurman die het schip over de woeste zee loodst.

Twee weken geleden verscheen het nieuwe album Damage. Het lijkt een staalkaart van de ontdekkingen van afgelopen dertien jaar. Een nummer met een rapper, een briljante mix van Blues Explosion en techno samen met DJ Shadow, een rocksong die je mee kan zingen en razende rock'n'roll. Het geluid op deze plaat is voller. De muziek verspreidt de suggestie van een overdaad aan tijd en ruimte. Dit is geen opwindend, achteloos gebaar meer, maar een gebouw met verschillende kamers. En ja, zelfs in een paar kalmere nummers is er het witte licht van de rock'n'roll. Maar de cirkel lijkt rond. De leden van de Blues Explosion worden binnenkort veertig en zijn echte muzikanten geworden. Rock'n'roll is het geluid voor de gevaarlijke energie en de superieure idiotie van de jeugd. Dat is iets eeuwigs. Maar wie de jeugd in zichzelf stukje bij beetje verloren voelt gaan, voelt zelfs als hij deel heeft aan het witte licht, ook de pijn van het erbuiten staan. Dat is de basis voor melancholie. Dat hoor je op Damage. Er is een nieuw avontuur begonnen, de Blues Explosion trekt het land van de melancholie binnen.

Blues Explosion: Damage. (Mute Records).

Concert: 8 oktober, Paradiso, Amsterdam.

Jon Spencer is een beest

maar hij blijft cool

Het lef van de rockartiest

berust op idioot zelfvertrouwen