Heengegaan met leege handen

Een tijd geleden werden we opgeschrikt door het verhaal dat sommige prinsen van Oranje tijdens officiële zwaaigelegenheden wel eens ongezien de middelvinger hieven. Dat ging dan zo: zwaaien door het raampje van de gouden koets of de koninklijke bus en vriendelijk lachen naar de mensen langs de kant van de weg, maar intussen onder het raampje het taboegebaar maken, en daar met elkaar stiekem plezier om hebben.

Het verhaal werd de wereld ingeholpen door een nicht, prinses Margarita, bijgestaan door haar man, de heer De Roy van Zuijdewijn. Geweldig verhaal, als je er zelf tenminste niet bij betrokken bent. Het zou zo opgenomen kunnen worden in de cursus `Kwaadspreken voor beginners: vertel iets dat niet te bewijzen en niet te ontkrachten valt.' Als het gebaar al gemaakt is, dan heeft niemand het kunnen zien. Zou je de pers ter controle meesturen (Maartje met de cameraploeg in de koets of de bus), dan zou het gebaar niet gemaakt worden. Als het koninklijk huis in een persconferentie officieel zou verklaren dat er bij zijn weten nooit welke vinger dan ook doelbewust opgestoken is, dan zou dat alleen maar ongewenste aandacht op de zaak vestigen, en juist extra argwaan wekken.

Er kwam nog wel iets bij dat deze aantijging extra pikant maakte: het was, ook al mocht niemand dat officieel toegeven, heel erg voorstelbaar. Wie zou, prins of geen prins, van tijd tot tijd niet de aandrang tot een verboden geintje voelen als hij met zijn broers urenlang vriendelijk moest gaan zwaaien naar ringstekers, hoepelwerpers, handmolenmalers, streekkoekenbakkers of een afvaardiging van de plaatselijke ganzenbordschutterij die juist nu haar 150ste verjaardag viert in een speciaal voor dit jubileum vervaardigd schuttersuniform waaraan door tien vrijwilligers in totaal 840 uur is gewerkt in de avonduren en in het weekeinde?

De koningin van Lombardije zou er alle begrip voor hebben gehad. Die moest ook uit hoofde van haar functie heel veel zwaaien. `Ze wuifde naar links, zij wuifde naar rechts, zij wuifde met haar hand, / en 's avonds ging zij slapen in haar zilveren ledikant, / en als zij sliep dan wuifde zij nog altijd met haar hand.' Haar geval is na te lezen in de verzamelde gedichten van Annie M.G. Schmidt. Het is voorstelbaar dat de koningin na verloop van tijd wel eens wat minder wilde wuiven. `De koningin zei bij haar eigen: / laat ze de wimwam krijgen.' En zij liet stiekem een zwaaihandje maken, monteerde dat in de koninklijke auto en liet die auto vervolgens de hele dag door de stad rijden, `met enkel maar die hand'. Dat zou haar hele leven goed hebben kunnen gaan, tot tevredenheid van alle partijen bovendien, als niet op een dag die auto tegen lijn zeven was opgereden. Koningin verongelukt, paniek, EHBO er meteen bij met `een grote brancard; en toen kwam het bedrog aan het licht: `want voor 't gebroken raampje was allenig maar die hand'. Het liep niet goed af met de koningin. De ministerraad van Lombardije besloot tot de doodstraf. De zwaaihand werd op haar graf gezet, rechtop in het zand. En als het dan stevig waait, gaat de hand nog steeds keurig wuivend van de ene naar de andere kant.

De toestand van de koningin van Lombardije na haar dood doet denken aan die van Alexander de Grote. Hij had in zijn testament opdracht gegeven om bij zijn uitvaart zijn handen onbedekt te laten. De twee blote handen zouden bovendien, `als ik het paleis verlaat / en langs den grooten weg mij richt', voor het volk zichtbaar moeten zijn. In de woorden van J.H. Leopold in zijn `Laatste wil van Alexander': `Dan, als ik tuimel in de kist / doodsoverwonnen en bezweken, / laat mijn twee handen zijn ontbloot / en uit de baar naar buiten steken.' Lugubere gedachte, onheilspellend beeld. Waarom wilde Alexander dat? Opdat `een elk mijn schamelte ontwaar / en worde door mijn lot gesticht.' De schamelte is natuurlijk sprekender als men weet wat deze dode met zijn twee ontblote handen vlak voor zijn overlijden allemaal nog bezat. En de omvang van die bezittingen wordt natuurlijk treffender uitgedrukt als de dichter ze probeert te vangen in weidse en wijdlopige zinnen die grammaticaal niet meer helemaal in het gareel te krijgen zijn. Dichterlijke uitbeelding van een wereldrijk dat zo groot was dat niemand de precieze grenzen ervan kende. Leopold neemt er vier strofen voor, om te laten zien wat Alexander de Grote (356-323 v.Chr.) in zo korte tijd veroverd had: `van aarde-oppervlak tot aan / de helle hoogten van gebergt' en van `de diepten van den Oceaan' tot aan de turkooizen hemel – en dan mag `de verste grens van het heelal' er ook nog wel bij, al weet ik dan eerlijk gezegd niet meer zeker hoe de superlatiefzinnen (`onbeperkte gunsteling', `grootmeesterschap') grammaticaal in elkaar steken. Daarbij was hij ook nog eens superrijk: de gehele bevolkte wereld moest hem belasting betalen.

En nu? `Ziet aan!' Het volk ziet de baar langskomen, en ziet de twee naar buiten stekende blote handen, en weet dat deze machtige vorst en rijkaard nu, mooi gezegd, door zijn rijkdom in de steek is gelaten: `verloochend door zijn geld / en heengegaan met leege handen!' Wat wilde Alexander zijn onderdanen daarmee leren? Iedereen moest inzien dat er, ook na een leven van macht en rijkdom, een `dag van onmacht en berooidheid' volgt. Hij wilde dat iedereen eruit leerde om het verlangen naar bezit (`den kittel van het goud') tijdig opzij te zetten. En, nog wijzer, dat allen op de dag van zijn uitvaart niet zouden rouwen om hem, maar om wat hun zelf ooit te wachten zou staan: dat zij `zuchten om hun eigen lot / en niet om mijn verlorengaan.'

Alle macht en alle bezit en alle status is weg als wij in de kist belanden: Alexander wist het al toen hij zijn laatste wil neerschreef. Aan niets is te zien dat Leopolds gedicht een vertaling is, maar dat is het wel: een vertaling van een Franse vertaling van een passage uit `De spiegel' van Eskandar van Amier Chosrow (1253–1325 na Chr.), hofdichter van de sultans van Delhi. Een niet rijmende, veel kortere en veel zakelijker vertaling van hetzelfde fragment is te vinden in Een karavaan uit Perzië (2002), een bloemlezing uit de klassieke Perzische poëzie, van J.T.P. de Bruijn. Het verhoudt zich tot de weelderige, grillig uitdijende tekst van Leopold als een zwarte dienstauto met stijve vlaggetjes tot een door twaalf witgepluimde paarden getrokken paarse bonbondooskoets met strik. Toch is De Bruijns zakelijke vertaling meer in overeenstemming met de zakelijke berusting die uit Alexanders testament spreekt. `Uiteindelijk zijn het goud en de juwelen, / hoe talrijk ook, verdwenen uit mijn handen.'