Ga toch lekker naar Europa, jongeman

Amerika is ten prooi gevallen aan een rijke elite die de droom van onbeperkte mogelijkheden om zeep heeft geholpen, meent de econoom Jeremy Rifkin. In Europa gaat het beter. Maar hoe overtuigend is die tegenstelling?

Europa heeft een schitterende toekomstdroom, al weet het dat zelf nog niet. Om dat in te zien moet je een Amerikaan zijn die een afkeer van zijn eigen land heeft gekregen. Volgens Jeremy Rifkin, president van de Foundation on Economic Trends in Washington en auteur van The Age of Access (2000) en The Hydrogen Economy (2002), is de Amerikaanse droom vervlogen. Rifkin is een kind van de jaren zestig, trok toen ten strijde tegen het Amerikaanse imperialisme en kapitalisme. Maar in die tijd geloofde hij nog dat het goed kon komen met Amerika. Hij deelde het optimisme over de onbeperkte mogelijkheden van een Amerikaanse natie die altijd hoop op een betere toekomst blijft geven. Dat geloof is verdwenen.

Sinds het begin van de Reagan-revolutie, ruim twintig jaar geleden, zijn de Verenigde Staten volledig in de ban geraakt van de zucht naar materieel succes. De frontier-mentaliteit, met zijn visioen van grenzeloze mogelijkheden, is verengd tot een jacht op persoonlijke verrijking waarvan ongeveer een kwart van de bevolking is uitgesloten. Dat is het deel van Amerika dat steeds armer wordt en geen uitzicht heeft op een beter bestaan. De Amerikaanse droom is haar status van nobel ideaal kwijt geraakt. Amerika inspireert niet meer, aldus Rifkin, en dus is Amerika niet meer Amerika. Zijn boek verraadt, net als het onlangs verschenen Who are we? van Samuel Huntington (besproken in Boeken, 14-5-2004), een diepe twijfel over de toekomst van de Amerikaanse natie.

Niet Amerika, maar Europa is volgens The European Dream, Rifkins recentste boek, het laboratorium waar de maatschappij van de toekomst vorm krijgt. Het Europese model heeft het postmodernisme verwerkt zonder in de val van de deconstructie te trappen: Europeanen leven in het besef dat er geen zaligmakend politiek perspectief bestaat, maar combineren hun respect voor andere waarden met een sociaal georiënteerd burgerschap. Europa staat voor mondiale gemeenschapszin, een universeel gevoel van verantwoordelijkheid voor milieu, klimaat, mensenrechten en vredeshandhaving.

Rifkin heeft lang in Europa gewoond en goed om zich heen gekeken. Zijn indrukken van de verschillen tussen het Europese en Amerikaanse straatbeeld zijn herkenbaar. De aanwezigheid van zwervers en geestelijk gestoorden in de grote steden is in Europa (nog) een incident, in Amerika bevolken deze losers soms hele parken. Het sociale vangnet is in Europa steviger en breder. In Amerika lopen vijftig miljoen mensen rond die niet zijn verzekerd tegen ziektekosten. Dat is slechts één voorbeeld van het lage niveau van de publieke voorzieningen in het rijkste land ter wereld.

Niet alleen in sociaal, ook in economisch opzicht heeft het Europese model volgens Rifkin een voorsprong. In de `age of access' van de interneteconomie neemt wederkerigheid de plaats in van autonomie, raakt wedijver versmolten met samenwerking. Op het net moet toegang tot informatie gedeeld worden om voordeel te kunnen behalen, zijn producent en afnemer veel meer afhankelijk van elkaar en krijgt de kringloop van productie en consumptie een veel socialer karakter.

Ontspannen

Tijdens zijn langdurige verblijf in Europa is Rifkind nog meer opgevallen. Europeanen hebben minder haast, zijn meer ontspannen, nemen de tijd om hun neus in de rozen te steken. Men is ontvankelijker voor de kleine geneugten van het bestaan. Bezit en rijkdom zijn minder zaligmakend. Die levenshouding is volgens Rifkin de belangrijkste oorzaak dat Europa al enkele decennia bij Amerika achterligt in economische groei. De productiviteit per gewerkt uur verschilt nauwelijks, maar de Amerikanen werken per jaar tenminste vijfentwintig procent meer uren. Zij gunnen zichzelf minder vrije dagen en vakantie. Europeanen begrijpen beter dat genieten een even belangrijk onderdeel van het bestaan is als buffelen. In Europa wordt dan ook volgens Rifkin een tragische vergissing begaan door aanpassing aan het superieur gewaande Amerikaanse ondernemingsmodel als onontkoombaar te beschouwen om de concurrentie in de economie van de toekomst vol te houden. De overmatige drang tot privatiseren en flexibiliseren leidt tot een afbraak van de publieke voorzieningen die niet bijdraagt tot hogere productiviteit, maar wel de kwaliteit van het bestaan aantast.

Tenslotte heeft Europa in de ogen van Rifkin een voorsprong in de omgang met andere culturen. In Amerika worden immigranten gedwongen tot assimilatie op basis van een opgeschroefd patriottisme. Wil men echt meedoen als Amerikaans staatsburger, dan dienen alle ingrediënten van de vaderlandsliefde (bijbel, vlag, volkslied) met blijmoedigheid te worden verorberd. In Europa, zegt Rifkin, heeft het nationalisme zijn tijd gehad. Op het oude continent heerst een relativerende opvatting over nationale en culturele identiteit. Respect voor het andere en het vreemde biedt volgens Rifkin een betere toegang tot het genetwerkte werelddorp waarin onvermijdelijk ruimte moet zijn voor uiteenlopende culturele perspectieven. De transnationale en multiculturele droom van de zich steeds verder uitbreidende Europese Unie, met haar poreuze grenzen, is een voorbeeld voor de netwerksamenleving op mondiale basis.

Je wrijft als Europeaan je ogen uit: hebben wij echt die stralende toekomst voor de boeg? Nee dus, zoals ook Rifkind zelf af en toe erkent. Vooral de werkelijkheid van de multiculturele samenleving, zo geeft hij toe, is in Europa heel ver verwijderd van de droom die in zijn boek wordt beschreven. Al schrikt hij terug voor de conclusie dat Europa misschien zelfs wel iets kan opsteken van het Amerikaanse voorbeeld: is een offensieve Leitkultur niet onmisbaar als instrument voor een effectieve integratie?

Zachtaardig

Twijfels over de voorbeeldfunctie van Europa raken bij Rifkin versmolten met verwarring zodra hij het labyrinth van de Europese integratie betreedt. Hij noemt de Europese Unie een `supermogendheid', maar tegelijkertijd spreekt hij van een regering zonder centrum, die door middel van dialoog en onderhandeling communicatiestromen begeleidt (`governance'). In tegenstelling tot verwante auteurs als Robert Kagan (Of Paradise and Power) en Robert Cooper (The Breaking of Nations), die in hun vorig jaar verschenen boeken Europa ontdekten als het postmoderne bastion van de soft power, onderkent Rifkin onvoldoende dat deze zachtaardige kolos niet in staat is handelend op te treden in zaken van orde en veiligheid. Onder het motto `dat komt wel in orde' ziet hij een grote toekomst weggelegd voor een Europees veiligheidsbeleid, al geeft hij toe dat in Bosnië en Kosovo Amerikaanse interventies nodig waren om een einde te maken aan een etnische veenbrand die in dat laatste gebied (en in Macedonië) nog altijd smeult. Zeker na Irak moet de verwachting dat Europa in een ernstige crisis politiek een vuist kan maken, worden weggezet in de categorie wensdenken. In militair opzicht is het niet anders: de recente plannen voor snel inzetbare gevechtseenheden komen voorlopig nog niet boven kleinduimpjesniveau uit.

Amerika staat voor macht (al wordt die niet altijd even verstandig gebruikt), Europa staat voor machteloosheid. Dat is het belangrijkste argument om Rifkins idee van een Europese droom, als voorbeeld voor de rest van de wereld, als een illusie te bestempelen. Europa staat vrijwel met lege handen als het gaat om de grote politieke taken van de 21ste eeuw: de bestrijding van etnisch-nationaal geweld, terrorisme en massavernietigingswapens. Daarbij kunnen diplomatie en andere instrumenten van zachte macht een ondersteunende, maar geen hoofdrol spelen, al wordt dat laatste in Europa wel gedacht. Ten onrechte, zoals onlangs weer duidelijk is geworden door de weigering van Iran gevolg te geven aan de Frans-Duits-Britse aandrang om het nucleaire non-proliferatieverdrag na te leven.

De twijfels die Rifkin zelf heeft over de mogelijkheden van het oude continent om mondiale ontwikkelingen te beïnvloeden, concentreren zich op het gebrek aan Europees zelfvertrouwen. Geloven de Europeanen wel voldoende in zichzelf, zo vraagt hij zich af. Waar is het Europese optimisme? Een duidelijk antwoord geeft hij niet, hoewel dit voor de hand ligt: twee wereldoorlogen en twee moordzuchtige ideologieën (nazisme en communisme) hebben ervoor gezorgd dat Europa is uitgedroomd. Het is de afgelopen vijftig jaar bezig om met kleine stappen het eigen huis op orde te krijgen, een taak die nog altijd veel politieke energie opslokt. Europa is te veel naar binnen gericht om zich effectief naar buiten te kunnen richten. Terwijl Amerika naar (te) verre horizonten staart, zoals die van een democratisch Midden-Oosten, staart Europa vooral naar zijn eigen navel.

Hoewel Rifkin dit Europese tekort onvoldoende inziet, heeft zijn boek een grote verdienste. Door de verschillen in mentaliteit en levenshouding tussen Europa en Amerika zo nauwgezet in kaart te brengen, ontmantelt deze auteur het vaak gehoorde argument dat het wel meevalt met de kloof in de Atlantische wereld, omdat de partners de fundamentele waarden van vrijheid en democratie blijven delen. Maar wat is de essentie van deze waarden? Ze maken een pluriformiteit van opvatting mogelijk die in de verhouding tussen Europa en Amerika tot ernstige meningsverschillen heeft geleid, niet alleen over de inrichting van de samenleving (die verschillen bestonden al langer) maar ook over de organisatie van de wereldorde. Europa denkt dat de gekoesterde omgangsvormen van dialoog en samenwerking zo aantrekkelijk zijn dat de rest van de wereld het Europese voorbeeld vanzelf zal volgen. Rifkin neemt die gemakzuchtige gedachte te gemakkelijk over.

Jeremy Rifkin: The European Dream. How Europe's Vision of the Future Is Quietly Eclipsing the American Dream. Polity Press, 434 blz. €30,–