Een altijd gereserveerde liefde

Wat maakt Henry James tot zo'n geliefd onderwerp voor moderne romans? Een daarvan is zelfs genomineerd voor de Booker Prize. De worsteling van de schrijver met leven en kunst, kan zelf weer grote literatuur opleveren.

In Author, Author, de nieuwe roman van David Lodge, komt een scène voor waarin de dienstmeid van Henry James een kort verhaal van haar werkgever probeert te lezen. Het is de winter van 1915, de oude James zelf ligt ontluisterd op sterven; in een van zijn delirische uitweidingen heeft hij naar een van zijn verhalen verwezen. Het is `The Beast in the Jungle', James' wurgende parabel over een man die zijn leven ongeleefd aan zich voorbij laat gaan, terwijl hij de hele tijd het gevoel heeft dat hem iets verschrikkelijks te gebeuren staat. De dienstmeid snapt er niets van: ze laat de lange, meanderende zinnen aan haar oog voorbij gaan zonder dat ze er kop of staart aan kan ontdekken. Waar gaat het in godsnaam over? Het wordt haar de volgende dag keurig uitgelegd door Theodora Bosanquet, de typiste aan wie James de laatste jaren van zijn leven zijn werk dicteerde, omdat hij te veel pijn in zijn hand had om te schrijven.

Zo'n roman dus. Wie vertrouwd is met de berucht complexe latere stijl van de schrijver mag geamuseerd zijn door de met stomheid geslagen dienstmeid; zo krijgt de James-fan iedere bladzijde wel een paar vette knipogen. De lezer die James nog niet kent, krijgt een aanschouwelijk lesje hogere literatuur. Aan dat laatste is Lodge het meest gelegen: Author, Author wil vooral een eerbewijs zijn aan de grote kunst van Henry James (1873-1916), de Amerikaans-Engelse schrijver die de negentiende-eeuwse realistische roman een nieuwe dimensie gaf: die van het bewustzijn.

Lodge is niet de enige schrijver die juist nu de noodzaak heeft gevoeld om de man Henry James te eren. Ook in de laatste roman van Alan Hollingurst, The Line of Beauty, heerst de geest van James; de jonge homoseksuele hoofdpersoon bestudeert het werk van de schrijver voor een doctoraalscriptie; James' beroemde uitspraak over de kunst die ons een idee van ons leven geeft (`It is art that makes life, makes interest, makes importance') wordt veelzeggend geciteerd. Het boek van Hollinghurst, (besproken in Boeken, 21.05.04), is genomineerd voor de Booker Prize, net als de Ierse schrijver Colm Tóibín met zijn boek The Master – nog een roman die Henry James als hoofdpersoon heeft.

James, James, James – drie Jamesiaanse romans in één jaar, waarvan er twee het leven van de schrijver zelf tot onderwerp hebben – wat betekent dat? In zijn nawoord bij Author, Author schrijft Lodge dat hij er tijdens het schrijven van zijn roman achter kwam dat de Engelse schrijfster Emma Tennant óók een episode uit het leven van Henry James had gebruikt voor een nieuwe roman (Felony, 2002) en na het inleveren van zijn manuscript kreeg hij te horen dat Tóibín eveneens een James-roman had geschreven. Lodge: `I leave it to students of the Zeitgeist to ponder the significance of these coincidences.'

Een antwoord is niet zo moeilijk te vinden. Henry James is de schrijver die zijn kunst beschouwde als een middel om het leven betekenis te geven, niet door het formuleren van praktische filosofische richtlijnen, maar door onze diepste ervaringen in woorden te vangen. Zijn onderwerp is de werkelijkheid, maar anders dan bij zijn voorgangers, de grote negentiende-eeuwse realistische vertellers, ziet James de werkelijkheid als een mysterie, dat we eindeloos proberen te doorgronden door middel van ons bewustzijn. Literatuur kan die ongrijpbare relatie tussen ons bewustzijn en de buitenwereld zichtbaar en voelbaar maken. Wanneer James de kunst verdedigt tegenover H.G Wells in een beroemd geworden brief, waarin het citaat over kunst en leven voorkomt, bedoelt hij dus niet dat hij de kunst boven het leven stelt, zoals Wells dacht. James was geen estheet, hij vond alleen dat het leven pas gezien kon worden wanneer het eerst verbeeld was. James leefde voor zijn kunst, omdat het leven anders geen zin had. Tegelijk worstelde hij met de angst voor het ongeleefde leven, de angst opgesloten te raken in louter verbeelding, ieder contact met de buitenwereld te verliezen.

Niet zo vreemd dus dat juist schrijvers van James houden. Zij herkennen de eenzaamheid, de volharding, de angst dat het allemaal voor niets zal zijn, de wonderbaarlijke alchemie van de verbeelding.

Wie het over Henry James heeft, heeft het dus eigenlijk al meteen over de betekenis van kunst – en wie het nu over de betekenis van kunst heeft, is vanzelf bezig de kunst te verdedigen. Het is wat de hedendaagse schrijvers Hollinghurst, Tóibín en Lodge met elkaar verbindt. David Lodge geeft dat thema vooral een wereldse betekenis: voor hem is James de schrijver die tegen de klippen op in zijn werk bleef geloven, terwijl hij links en rechts voorbij werd gestreefd door mindere literaire goden, die stuk voor stuk veel meer succes hadden. Het hart van Author, Author wordt gevormd door James' verwoede pogingen een succesrijk toneelschrijver te worden, halverwege de jaren negentig van de negentiende eeuw; pogingen die vijf jaar van zijn creatieve leven in beslag namen en die eindigden in een publieke vernedering op de première van zijn toneelstuk Guy Domville.

Van de zenuwen was James die fatale avond naar Oscar Wilde's An Ideal Husband gaan kijken (waar hij niets aan vond). Toen hij in het theater arriveerde waar zijn eigen stuk werd opgevoerd, hoorde hij het bekende `Author, author!' roepen en dacht hij een daverend applaus te kunnen halen. Maar hij werd meedogenloos uitgejouwd door het schellinkje. Het toneelstuk had zijn verdedigers, zoals G.B. Shaw en de jonge H.G. Wells, maar het ging de geschiedenis in als een pijnlijke flop. Die pijnlijk directe ervaring betekende voor James ook een bevrijding. Hij gaf zijn droom van wereldse successen op en trok zich terug in zijn kunst en schreef zijn romans alsof het toneelstukken waren. Tenminste, wat de structuur betrof, want in zijn late stijl probeerde hij steeds dichter tot de kern van de menselijke ervaring te komen, waardoor zijn zinnen almaar langer en complexer werden. Via romans als het prachtige, nietsontziende What Maisie Knew (1897, over de verdorven wereld van volwassenen, gezien door een intelligent, maar in wezen onschuldig kind (net weer in een Nederlandse vertaling verschenen), leidde dat tot de meesterwerken The Ambassadors (1903), The Wings of the Dove (1902) en The Golden Bowl (1904) en verhalen als `The Beast in the Jungle'.

Zowel Lodge als Tóibín concentreert zich op de moeilijke jaren die aan die wonderbaarlijke late oogst voorafgingen, de periode waarin James' geloof in zijn kunst tot het uiterste op de proef werden gesteld. Maar waar Lodge blijft steken in een soms amusant postmodern spel van literaire verwijzingen, is het Tóibín die in The Master het leven van James tot literatuur heeft weten om te smeden. Lodge wil ons overtuigen van de oneindige creatieve rijkdom in het bewustzijn van zijn held, maar telkens wanneer het gevoelsleven van James zich aan hem opdringt, vlucht hij in mild komische scènes over de trouwe bedienden van de schrijver of verborgen commentaar op de wereld waarin de bestseller (een woord dat James vanzelfsprekend verfoeide) het altijd voor het zeggen heeft, terwijl de echte kunstenaar ongezien door de wereld stug doorploetert – `the age of thrash triumphant', noemde James dat zelf. Als hommage aan een groot schrijver blijft Author, Author aan de buitenkant; de roman is vooral een onderhoudende lezing met lichtbeelden, waarin genoeg pregnante dingen over literatuur worden gezegd.

Soms lijkt de romancier Lodge James wel degelijk dicht te naderen, zoals in zijn beschrijving van James' knagende gevoelens van jaloezie jegens het literaire succes van zijn vriend George du Maurier, een satirisch tekenaar voor Punch die geheel onverwachts een transatlantische bestseller schreef: Trilby (1894). Ook in zijn tekortkomingen in zijn vriendschap met de Amerikaanse schrijfster van goedverkopende vrouwenboeken Constance Fenimore Cooper, die zelfmoord pleegde door zich uit het raam van een Venetiaans palazzo te werpen, nadert Lodge een pijnlijke kern – maar hij lijkt er ook meteen weer voor terug te schrikken. Aan het eind van Author, Author treedt hij zelf als auteur uit de coulissen van zijn verhaal en brengt James een goedbedoelde, maar ook nogal genante aubade.

The Master is van een andere orde. Tóibín gebruikt James' moeilijke jaren als vertrekpunt van waaruit hij zijn hele leven overziet. De afgang in het theater blijkt een van de vele momenten waarop hij tegenover het leven tekortschiet, of het leven tegenover hem. Net als Lodge heeft de Ierse schrijver de bekende biografieën van James gelezen, maar hij gebruikt ze om diep door te dringen in een man die er niet in slaagt werkelijk iets voor anderen te betekenen. Bij Tóibín is James veelbesproken aseksuele bestaan dat van een in wezen homoseksuele man, die wel naar lichamelijk contact verlangt maar niet durft.

Zowel in vriendschappen, zoals met zijn nichtje en jeugdvriendin Minnie Temple als met Constance, als in de grote kwestie van zijn tijd, de Amerikaanse burgeroorlog, laat hij het op beslissende momenten afweten en trekt hij zich terug in zijn eigen hoofd. Voelt James zich in de roman van Lodge vooral schuldig over zijn jaloerse gevoelens jegens het wereldse succes van anderen, in The Master vormen schuldgevoelens de kern van zijn kunstenaarschap: vanuit zijn fundamentele eenzaamheid herschept James de doden als personages in zijn romans en verhalen. Dat thema – de kunstenaar die tekortschiet in het leven en het goed maakt door middel van zijn kunst – doet denken aan Lotte in Weimar van Thomas Mann, waarin een oude Goethe zijn gebrekkige talent voor menselijke relaties probeert te rechtvaardigen door zich te beroepen op de eisen die zijn kunst aan hem stelde.

Tóibíns rustige, precieze stijl toont James' innerlijk als een plaats waarin zuivere wanhoop en een wurgend verlangen huizen – onuitgesproken, maar voelbaar als een hand die zich strak om je keel sluit. Dat is groots. Nergens wordt hij bij Toíbín een zielenpoot (bij Lodge soms wel), de gesoigneerde stuntel die zijn onhandigheid in de omgang verbergt achter een masker van breed uitgemeten wereldvreemdheid, zoals James in veel geschreven karikaturen en herinneringen aan ons verschijnt. De onoplosbare spanning tussen kunst en leven wordt ook nergens gemakzuchtig op de spits gedreven; Tóibín denkt niet dat James beter een gezin had kunnen stichten dan een boek schrijven. In de onvervuldheid van zijn leven voltrekt zich de vervulling van zijn kunst – en zoals gezegd, zonder die kunst heeft het leven helemaal geen betekenis.

En James zelf? Klopt het beeld? Er is tegenwoordig meer belangstelling dan ooit voor het verborgen leven van de tergend discrete schrijver, vooral voor de vermeende seksuele component heeft hij het nu wel of niet gedaan? Niet, denken de meesten, maar waar Lodge er in zijn roman een nogal simplistische afschuw van werkelijke homoseks van maakt, weet Toíbín de erotische spanning van het onvervulde verlangen op te roepen. De vele jonge mannen waarmee James zich in zijn laatste jaren omringde, hebben tot wilde speculaties geleid, die gevoed worden door anekdoten die te smakelijk zijn om tot verzinsel te verklaren zoals die van Horace Walpole, een latere tweederangs schrijver, die zich als student in een moment van opperste bewondering aan de meester zelf zou hebben aangeboden, waarop James, heftig geschrokken, terugdeinsde en gepiept zou hebben: ,,I can't, I can't.''

Een van James jonge vrienden was de Noors-Amerikaanse beeldhouwer Hendrik Andersen (1872-1940). Toen James hem in 1899 leerde kennen op het dakterras van een Romeins palazzo, was hij een bekend en gerespecteerd schrijver wiens boeken door niet veel mensen meer gelezen werden. Uit James' brieven aan de jonge man, die nu voor het eerst volledig in het Engels zijn uitgegeven, blijkt dat James werkelijk voor Andersen gevallen was – maar het was een gereserveerd soort liefde, die zich vooral op papier voltrok. James bedient zich van een dwepende taal die steeds beleefd blijft en hoopt telkens dat Andersen hem met een bezoek aan Lamb House zal verblijden – het huis in het Engelse Rye dat zijn toevluchtsoord werd. Achter die vriendelijke, complimenteuze woorden tekent zich een groot verlangen af; James wil Andersen voor zichzelf hebben, in zijn eigen huis. Hij moedigt de beeldhouwer aan in zijn talent en vraagt zich bezorgd af of er wel een markt zal zijn voor zijn enorme allegorische naakten.

De lezer van de brieven begrijpt al snel dat de liefde van James voor Andersen niet veel meer behelsde dan de uiting van zijn grote, onvervulbare verlangen, en dat de rol die de beeldhouwer daadwerkelijk in zijn leven speelde niet al te groot was. James houdt zijn vriend strikt gescheiden van zijn andere vrienden, moet zich bijna iedere brief verontschuldigen voor zijn late reactie. De werkelijke ontmoetingen tussen de twee mannen zijn op de vingers van een hand te tellen. Toch kom je James in deze weinig intieme brieven op het spoor: je ziet een man die, net als in de roman van Tóibín, voor alles zijn verbeelding veiligstelt. Later in de correspondentie wordt zijn affectie voor Andersen op de proef gesteld: de beeldhouwer verliest zich in steeds grotere projecten en verbindt zich uiteindelijk aan een groot project, het stichten van een zogenaamde `World City', een werkelijk nieuw te bouwen stad, die een universele cultuur zou kunnen herbergen (onder andere in een reusachtige `Tower of Progress' en een `Temple of All Religions') en de mensheid zou verbroederen door alle informatie van de wereld permanent beschikbaar te maken. In een van zijn brieven verzocht Andersen zijn bekende vriend de schrijver het project te ondersteunen met een aanbeveling.

James reageert ontsteld. In zijn antwoord aan Andersen legt hij met nauwelijks verborgen ergernis uit dat cultuur zich niet tot hapklare brokken laat reduceren. En wat die World City betreft: `Cities are living organisms, that grow from within and by experience and piece by piece; they are not bought all hanging together, in any inspired studio.' Zijn afwijzende antwoord wordt al vanzelf tot een verdediging van zijn kunst: dat instinctieve, aftastende proces dat in ieder onbeduidend voorval in de werkelijkheid een wereld op zich ontdekt, oneindig en peilloos.

De vastberadenheid waarmee James aan zijn poëtica vasthield, maakte aan zijn vriendschap met Andersen effectief een einde, hoewel hij zijn jongere vriend tot in zijn laatste levensjaar brieven met beleefde genegenheid bleef sturen. Het was het zoveelste verlies, het zoveelste bewijs dat de wereld zich weinig aan zijn kunst gelegen liet liggen, de zoveelste keer dat hij werd teruggeworpen op zijn innerlijke overtuigingen. Natuurlijk, zoals Lodge schrijft, James' kunst leeft als nooit tevoren – en de nagedachtenis aan Andersen smeult alleen nog na in een vergeten museum in Rome. Maar de offers die de schrijver heeft gebracht, die offers hebben alleen zin gehad wanneer ze steeds opnieuw gebracht worden. Vandaar die literaire eerbewijzen van andere schrijvers – die tegelijk een oproep zijn. Lees Henry James.

David Lodge: Author, Author. Secker & Warburg, 389 blz. €19,85 Colm Tóibín: The Master. Picador, 470 blz. €23,95 De Nederlandse vertaling bij De Geus uit in de zomer van 2005. Henry James: Beloved Boy. Letters to Hendrik C. Andersen, 1899-1915. University of Virginia Press, 160 blz. €26,37