Een afkeer van muziek

`De literaire rentrée is een Franse ziekte die vooral niet behandeld moet worden', schreef Frédéric Beigbeder in het blad Lire vlak voor de zomer. De stortvloed aan boeken, de al te voorspelbare literaire prijsverdeling, het geroddel op de borrels: volgens de populaire schrijver hoort het nu eenmaal allemaal bij de opening van het literaire seizoen.

Dit najaar worden boekhandels en lezers overspoeld door 661 romans (waarvan 440 Frans), en nog eens zoveel non-fictiewerken. Van sommige boeken staat het succes bij voorbaat vast. Zo kwam Amélie Nothomb met haar onvermijdelijke jaarlijkse bestseller, in dit geval een autobiografisch boek over de anorexia waaraan ze leed in haar puberteit. Ook Yann Moix heeft een onderwerp waarmee hij nog beter zal verkopen dan gewoonlijk: zijn boek Partouz speelt zich af in een parenclub en gaat ook nog over terrorisme. Hoewel het onderwerp geheel Houellebecqiaans is, wordt Frankrijks meest succesvolle schrijver afgedaan als `middelmatig', en een con bovendien. Daarnaast wordt een van de daders van de aanslagen op 11 september `een held' genoemd. Genoeg aanleiding voor een rel en dus voor hoge verkoopcijfers.

Maar naast een paar gegarandeerde successen, hebben de uitgevers geen enkele zekerheid over wat wel en niet zal verkopen. Dat is wellicht de reden dat er deze rentrée 120 debuten verschijnen (een kwart van de nieuwe Franse romans). Meer dan ooit tevoren, wat wijst op een gokmentaliteit bij de onzekere uitgever: niet geschoten is altijd mis.

Daar is weinig tegen in te brengen, behalve dat de kans voor een jonge schrijver om opgemerkt te worden zo wel heel klein wordt. Het grootste deel van de debuten is `doodgeboren', zoals Christine Arnothy het noemt in Une rentrée littéraire, een boek dat zij opdroeg aan diegenen die een eerste roman publiceren, maar vooral `aan hen die er maar van afzien'. Arnothy schreef zelf al twintig romans en kent dus het klappen van de zweep. Via haar naïeve heldin Géraldine, een schriele, vegetarische debutante waarvan alleen de naam al onverkoopbaar is – laat staan het imago en haar baksteendikke boek zelf – werpt Arnothy een ontluisterende blik op de boekenbranche. De Prix Goncourt wordt niet uitgeloofd, maar verkocht. Als je niet de afstammeling van een beroemdheid bent, of goed bevriend met hooggeplaatsten, kan je vergeten dat iemand je uitgeeft. Sterker nog: niemand zal meer dan een synopsis van je manuscript willen lezen. Journalisten worden in september overspoeld door een `literaire Niagara', en moeten alleen al mensen in dienst nemen om de postpakketten open te maken.

Genie

Maar naast deze commercialisering klaagt Arnothy ook over de te elitaire literatuuropvatting die heerst in Parijse kringen. Ze steekt de draak met de voorkeur voor boeken waarin niets gebeurt. Met een opzichtige verwijzing naar de oud-Goncourt-winnaar Pascal Quignard, stelt ze dat hermetische literatuur wordt verward met `echte literatuur': `Verveling en bewegingsloosheid worden hier gezien als kwaliteiten', moppert een fictieve uitgever: `als een schrijver geen lezers heeft, wil dat zeggen dat hij een genie is'.

Hoewel Une rentrée littéraire als roman niet veel voorstelt, heeft Arnothy gelijk in haar vaststelling dat het in de Franse uitgeverij een kwestie is van schijnbaar onverenigbare uitersten. Enerzijds is er de commercialisering en de daarbij behorende hapklare boeken, die liefst nog in hetzelfde seizoen verfilmd moeten worden. Anderzijds publiceert vrijwel elke uitgever ook mystieke, experimen- tele of postmoderne literatuur.

Ook bij de debutanten zitten weer schrijvers die er niet op uit zijn het zichzelf of hun lezers makkelijk te maken. Aude Bellin du Coteau bijvoorbeeld, een twintigjarige letterenstudente, schreef met Savon pensif een postmoderne detective, die doet denken aan het werk van Queneau of Paul Auster. Hoewel haar boek – vol woordspelletjes en kriskraszwerftochten door Parijs – het niet haalt bij die grootmeesters, is het een talentvolle poging om te ontsnappen aan de lineaire vertelling en de lineaire stijl.

Al even postmodern is Certainement pas van Chloé Delaume. Delaume was een van de grote beloftes van deze rentrée, met name door haar indrukwekkende eerste boek, Le Cri du Sablier. De sterke kanten van die roman zijn ook hier aanwezig: Delaume schrijft `monologues intérieurs' die zo overtuigend zijn dat je onmiddellijk opgenomen wordt in de verstoorde wereld van haar personages. Alle figuren uit Certainement pas wonen in het Parijse psychiatrisch ziekenhuis Sainte-Anne, en horen bij `het volk van de blauwe pyjama's'.

Het is zonde dat Delaume er niet gewoon genoegen mee heeft genomen een bundel van die prachtige verhalen te maken, of desnoods een vierluik, maar dat ze haar tragische personages bij elkaar probeert te brengen in een postmodern spelletje Cluedo, compleet met een moordslachtoffer. Zowel het slachtoffer, als de `alwetende verteller' als de schrijfster zelf stappen zo nu en dan het verhaal binnen, en de tekst wordt gelardeerd met getalsmatig gegoochel, typografisch wisselende citaten uit woordenboeken, websites, formulieren, en wat niet al. Dat klinkt misschien interessant, maar het blijft onduidelijk wat het allemaal te betekenen heeft.

Net als Arnothy laat Delaume zich in laatdunkende termen uit over de wereld van de Franse uitgeverij. Zij schrijft over de getalenteerde schrijver Mathias, die zich binnen de kortste keren laat overhalen om `leesbare' boeken schrijven, waarmee hij zichzelf verraadt. Delaume's tirade tegen het tendentieuze en liefdeloze literaire wereldje is ongetwijfeld op haar eigen ervaring gebaseerd. Maar hoe ontluisterend ook, het blijft een beetje zonde dat ze een flink deel van haar roman besteedt aan uiteenzettingen over de commercialisering van de literatuur; klachten die terecht zijn maar ook overbekend. Bovendien vraag je je af hoe erg het allemaal is zolang veeleisende romans als die van haarzelf worden uitgegeven én verkocht.

Pascal Morin (1969) is een debutant, en ook hij schreef een roman waarmee hij geen concessies doet aan het grote publiek. L'eau du bain is een kaalgeslagen tekst over drie broers die zich meester maken van het familiedomein door drie moorden te plegen op hun grootvader, hun vader en hun halfzusje. Dit alles voltrekt zich in een complete, harmonieuze stilte, in de zinderende hitte. De `bewegingsloosheid' waar Arnothy over klaagde, viert hier hoogtij. Woorden, maar ook emoties of enige moreel besef zijn afwezig. Wat telt is slechts esthetica: de onuitgesproken opluchting bij de broers als de rommel eindelijk kan worden weggegooid, opa's moestuin plaatsmaakt voor een zwembad, en een architect uit de stad orde op zaken kan komen stellen in het oude huis.

Componist

Morins verhaal moet het hebben van het verzwegene, en wat dat betreft staat hij in de traditie van de nouveau roman en de auteurs van uitgeverij Minuit. Christian Gailly bijvoorbeeld, die in zijn nieuwe boek Dernier amour opnieuw over muziek schrijft. Paul Cédrat, een moderne componist, is stervende maar bezoekt nog een festival waar een van zijn composities voor strijkkwartet zal worden gespeeld. Zijn al te moeilijke muziek wordt weggehoond door het publiek, en Paul trekt zich alleen terug in zijn villa aan zee.

Het verhaal vertoont veel overeenkomsten met Gailly's vorige roman, Un soir au club, waar bovendien met een knipoog naar wordt verwezen. Maar zo mooi en melodieus als de jazz was in dat boek, zo moeilijk om naar te luisteren is de moderne muziek die Paul componeert. Tijdens deze laatste dagen van zijn leven begrijpt hij ineens wat er mis was met zijn werk: waarom het publiek er niet van hield. `Ze hadden, zei hij bij zichzelf, een afschuw van mijn muziek omdat die niet over hen ging, maar alleen over zichzelf. Zelfs niet over mij, eerlijk gezegd. Zij sprak niet over liefde en niet over schoonheid. Noch over de schoonheid van de liefde. Noch over de liefde voor de schoonheid'. Hoewel de verteller deze gedachte afdoet als `plutôt naïf', lijkt Dernier amour wel te willen gaan over liefde en schoonheid, in alle combinaties. Net als de muziek van Paul klinkt de taal hortend en stotend. Iedere zin wordt in stukken gehakt. Het is alsof de ademnood van de stervende de hele wereld doortrokken heeft.

Het woordspel van Bellin du Coteau, het postmodernisme van Delaume, het zwijgen van Morin en het haperen van Gailly: stuk voor stuk bewijzen ze dat de Franse rentrée meer is dan alleen een groot commercieel spektakel.

Christine Arnothy: Une rentrée littéraire. Fayard, 376 blz. €20,- Pascal Morin: L'eau du bain. Éditions de Rouergue, 124 blz. €9,- Aude Bellin du Coteau: Savon pensif. Seuil, 142 blz. €12,- Chloé Delaume: Certainement pas. Verticales, 361 blz. €20,- Christian Gailly: Dernier Amour. Minuit, 122 blz. €12,-