Aufbau Ost versnelt Absturz West

In Oost-Duitsland ligt de modernste infrastructuur. Toch wil de economie er niet groeien. Het danig verzwakte West-Duitsland kan de last niet meer dragen. Klaus von Dohnanyi, adviseur van de Duitse regering: ,,Als er niets gebeurt, zou dat voor heel Duitsland een nachtmerrie zijn.''

Een lange man snelt door de weelderige lounge van Schlosshotel Grunewald in Berlijn. Klaus von Dohnanyi is 76 en heeft nog steeds haast.

Eerder die middag heeft hij met de illustere vereniging Konvent für Deutschland gebrainstormd. Voormalig bondspresident Roman Herzog, ondernemer Ronald Berger, voorzitster van de Goethe-instituten Jutta Limbach en andere ,,competente mensen uit het openbare leven'' discussiëren in het convent over reparaties aan het politieke systeem die het land slagvaardiger moeten maken. Het was een enerverend debat. Over een uur vertrekt zijn trein. Nee dank u, geen koffie.

De sociaal-democraat Von Dohnanyi was in de jaren zeventig minister van Onderwijs onder Willy Brandt, in de jaren tachtig burgemeester van Hamburg. Tegenwoordig is hij commissaris bij talrijke ondernemingen in Oost-Duitsland en adviseert hij de regering-Schröder over de wederopbouw van de voormalige DDR.

In de zomer van 1990, de euforie van de hereniging hing nog in de lucht, waarschuwde hij al in een boek over de immense economische problemen die het herenigde Duitsland te wachten stonden. Niemand had er oren naar. `Waarom niemand wil luisteren', luidde destijds een van de hoofdstuktitels in Das deutsche Wagnis.

Demonstraties tegen de regering en verkiezingswinst voor extreem-rechts hebben de deplorabele economische situatie in Oost-Duitsland veertien jaar later weer in het middelpunt van de belangstelling geplaatst. De adviezen en analyses van Von Dohnanyi zijn daarom zeer in trek. De rijzige gentleman maakte in de afgelopen weken een heuse tournee langs de Duitse actualiteitenrubrieken.

Sinds 1990 stroomden 1.250 miljard euro van het rijke westen naar het arme oosten. West-Duitsland moet jaarlijks 4,6 procent van het bruto nationaal product inleveren in het oosten. Ongeveer 65 procent van de economische problemen van Duitsland komen, aldus een schatting van de Europese Commissie, voor rekening van de wederopbouw van de voormalige DDR.

Oost-Duitsland, stelt Von Dohnanyi, is een probleem van heel Duitsland. De Aufbau Ost versnelt de Absturz West. En dat niet alleen. Gezien het belang van de Duitse economie voor de eurozone is Oost-Duitsland een handicap voor heel Europa.

Tientallen miljarden subsidie per jaar. Al veertien jaar. En nog steeds is de officiële werkloosheid in het gebied 20 procent. In sommige steden is de eigenlijke werkloosheid zelfs rond 40 procent. Jongeren trekken weg, de achterblijvers zien om zich heen dat de overtollige flatwijken tegen de vlakte gaan. Oost-Duitsland vergrijst in schrikbarend tempo. Von Dohnanyi schat het economische tekort van de regio op ongeveer 3.000 middelgrote ondernemingen of, anders uitgedrukt, op 700.000 banen.

De miljarden uit het westen zijn niet verdampt. De infrastructuur is opnieuw opgebouwd. Zo is er bijna 1.300 kilometer snelweg aangelegd. De binnensteden zijn gerenoveerd. Saksen, constateerde het weekblad Der Spiegel, maakt inmiddels een modernere indruk dan het Ruhrgebied.

Een deel van het geld ging verloren in onzinnige projecten. Legendarisch zijn inmiddels de verhalen over mislukte investeringen. Over de aanleg van racecircuit Lausitzring – subsidie 120 miljoen euro – waar de Formule 1 niet wil komen. Over de 50 miljoen euro voor de ontwikkeling van luchtschip Cargolifter dat nooit van de grond kwam. Over bijna 100 miljoen euro voor een chipfabriek in Frankfurt/Oder die nooit één chip zal produceren. Veel gemeenten probeerden met recreatie en wellness geld te verdienen. Het grapje gaat dat Oost-Duitsland sindsdien de hoogste zwembaddichtheid ter wereld heeft.

De Duitse bond van belastingbetalers publiceert jaarlijks een zwartboek over verspilling door de overheid. Deutsche Bahn, zo blijkt uit het jaarverslag 2004, bouwde in 2002 een spoorbrug over de B96 tussen Bautzen en Wilthen. Kosten 750.000 euro. Per 1 januari rijdt op dat traject geen trein meer. Deelstaat Saksen-Anhalt heeft 10 miljoen euro toegezegd voor de bouw van superdisco X50 in Schkopau, maar het project loopt vertraging op en kleinere disco's in de buurt sluiten. In dezelfde deelstaat onderzoekt een parlementaire commissie waarom opeenvolgende regeringen in tien jaar 134 miljoen euro aan extern advies hebben uitgegeven.

Het leeuwendeel van de geldstroom uit het westen houdt het oosten met uitkeringen in leven en houdt er de welvaart op peil. Oost-Duitsland heeft een levensstandaard die 90 procent bedraagt van het niveau in West-Duitsland. De Oost-Duitsers hebben evenveel camcorders, auto's en magnetrons als de West-Duitsers. Het aantal kabelaansluitingen is in het oosten zelfs hoger. Alleen met diepvrieskisten en wasdrogers lopen de Oost-Duitsers nog achter.

De consumptiegoederen en de uitmuntende snelwegen zijn mooi, zegt Von Dohnanyi. Maar de nieuwe deelstaten, samen eenderde van het grondgebied van de Bondsrepubliek, kunnen nog steeds niet op eigen benen staan. En het economisch inmiddels danig verzwakte West-Duitsland kan zich een dergelijke last niet meer veroorloven. ,,Als er niets gebeurt, zou dat voor heel Duitsland een nachtmerrie zijn.''

Oost-Duitsland leek tot voor kort in de Duitse politiek niet te bestaan. In belangrijke economische verklaringen van de regering-Schröder komt Oost-Duitsland maar zijdelings ter sprake. Waarom?

Von Dohnanyi: ,,Men is gewend geraakt aan het probleem en men liet zich afleiden door andere, nieuwe problemen. De regering ging ervan uit dat economische moeilijkheden in het oosten op een goede dag als vanzelf zouden verdwijnen. Ik was er altijd van overtuigd dat het niet zo zijn.''

Gerhard Schröder heeft het oosten al eens tot `Chefsache' uitgeroepen. Vervolgens gebeurde er niets.

,,Hij heeft te veel andere dingen aan zijn hoofd. Hij heeft het probleem gewoon terzijde geschoven. Ik begrijp dat wel, maar ik ben er niet blij mee.''

Men kan toch niet zomaar een vijfde van de bevolking tussen haakjes zetten?

,,Nee. Het loont zeer de moeite om je met dit onderwerp bezig te houden uit economisch oogpunt. Daar komt bij dat dit een gebied is dat decennialang afgekoppeld was van de rest van het land. We hebben het hier niet over zomaar een zwakke regio in het westen. Dit is niet het Beierse Woud.''

Is de nieuw aandacht blijvend of zal Oost-Duitsland over een paar maanden weer in vergetelheid raken?

,,Iedereen is er nu van doordrongen dat het een probleem is dat heel Duitsland betreft. We hebben wel de handicap dat er nog steeds mensen zijn die de werkelijkheid fraaier afschilderen dan ze is. Maar we ontkomen niet aan een eerlijk debat.''

Hoe ziet een eerlijke balans van vijftien jaar economisch opbouwwerk eruit?

,,Er is veel vooruitgang geboekt in de infrastructuur en in de stedenbouw. Communicatietechnologie en treinen zijn in orde. Ook de musea en theaters zijn gerestaureerd. De industriële basis schiet daarentegen volstrekt te kort. We zijn nog ver verwijderd van een zichzelf dragende economie, een economie waarin de belastingen die er betaald worden voldoende zijn om de eigen problemen op te lossen.''

Ook voordat Von Dohnanyi aan het werk ging kon men in analyses van economen lezen wat er in de afgelopen vijftien jaar is misgegaan. Ondanks alle goede bedoelingen, ondanks de immense geldstromen.

Hans-Werner Sinn, directeur van onderzoeksinstituut Ifo in München, schreef een boek over de Duitse economie met de opzienbarende titel Ist Deutschland noch zu retten? Oost-Duitsland beschrijft hij daarin als `landschappen die verwelken', een toespeling op Helmut Kohl die de Oost-Duitsers ooit `bloeiende landschappen' beloofde. Sinn citeert een advocaat gespecialiseerd in faillissementsrecht, die zich in Leipzig vestigde `omdat de zaken in het oosten pas echt lekker lopen'.

In plaats van een tweede Wirtschaftswunder, zoals Kohl voorspelde, kreeg Duitsland een eigen Mezzogiorno. De Duitse subsidiestroom van west naar oost is vergelijkbaar met de pogingen van de Italiaanse regeringen uit de jaren vijftig om het zuiden op te bouwen met subsidies uit het noorden. Wat de Italianen ten zuiden van Napels niet is gelukt, kregen de Duitsers ten oosten van Braunschweig niet voor elkaar. Oost-Duitsland heeft de aansluiting bij de rest van het land gemist. Sterker nog: de kloof wordt steeds groter. Sinn: `Uit economisch oogpunt is de Duitse eenheid mislukt.'

In de eerste helft van de jaren negentig was er nog hoop op wederopstanding van de regio. Na de Wende werd de productiviteit met fantastische investeringssubsidies aangejaagd. De subsidies waren zo royaal dat investeringen zelfs bij een rendement van minus 5 procent nog interessant waren. Toen een aantal investeringssubsidies (Födergebietsgesetz) in 1996 werd gestaakt, stopte ook meteen de inhaalslag van Oost-Duitsland. Sindsdien wordt Oost-Duitsland langzaam weer minder productief dan het Westen. Eigenlijk is de vergelijking met de Mezzogiorno nog flatteus. De kloof tussen Zuid-Italië en de rest van het land is minder groot dan het verschil tussen Oost- en West-Duitsland.

De Oost-Duitse economie kent een relatief hoge levensstandaard (90 procent van West-Duitsland) enerzijds en een veel te lage productiviteit (60 procent van West-Duitsland) anderzijds. De Oost-Duitse economie, becijferde Sinn, consumeert 45 procent meer dan zij zelf produceert.

Het gat wordt gedicht met geld uit het westen. Jaarlijks stroomt ongeveer 85 miljard euro uit de publieke middelen naar het oosten, dat komt overeen met eenderde van de Duitse begroting. Een fractie van het geld (10 miljard euro) is afkomstig van belastingbetalers die over hun belastingschuld een solidariteitstoeslag van 5,5 procent betalen. De rest wordt in wezen gefinancierd door hogere staatsschuld en bezuinigingen op de uitgaven van gemeenten en deelstaten in het westen. De Duitse overschrijding van de Europese begrotingsnorm uit het Stabiliteitspact wordt gedeeltelijk veroorzaakt door Oost-Duitsland.

Sinn vat de afhankelijkheid van Oost-Duitsland in een heldere formule samen. Elke derde euro die in Oost-Duitsland wordt uitgegeven komt uit het westen. Van die euro is 75 cent een schenking, 25 cent een lening.

Hoe kon het zover komen? Sinn zoekt de schuld vooral bij de zeer snel gestegen loonkosten. De lonen zijn in Oost-Duitsland al sinds midden jaren negentig hoger dan in Italië en Ierland, vrijwel gelijk aan Frankrijk. Ze zijn ook veel hoger dan de productiviteit van de Oost-Duitse economie rechtvaardigt. De hoge loonkosten hebben investeerders afgeschrikt en `zijn verantwoordelijk voor de ramp die zich in Oost-Duitsland voltrekt'. Het aantal grote buitenlandse investeerders in Oost-Duitsland is op de vingers van een hand te tellen.

De lonen stegen zo snel omdat de loononderhandelingen voor Oost-Duitsland in eerste instantie werden gevoerd door vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers uit West-Duitsland. Zij hadden geen baat bij concurrentie door goedkope landgenoten.

De ondernemers die uiteindelijk toch in Oost-Duitsland actief werden zien zich op de arbeidsmarkt geconfronteerd met een concurrent waar ze niet tegenop kunnen: de Duitse verzorgingsstaat. Werkloosheidsuitkering en bijstand in het oosten werden snel op het westerse niveau gebracht. In een ontredderde economie met een lage productiviteit moesten veel te hoge minimumlonen betaald worden om mensen uit de uitkering te lokken. Resultaat: veel ondernemingen maken een boog om Oost-Duitsland.

De hoge uitkeringen weerhielden Oost-Duitsers er ook van om zich massaal als gastarbeider in het westen te melden. In de jaren negentig vonden 900.000 immigranten uit niet-EU-landen wel een baan in West-Duitsland.

Oost-Duitsland, stelt Sinn, lijdt aan de Hollandse ziekte. In de jaren zestig had de Nederlandse industrie het moeilijk omdat de energiesector dankzij de aardgasvondsten de arbeidsmarkt met hoge lonen leeg kon vissen. Nu is het de West-Duitse verzorgingsstaat die de Oost-Duitse arbeidsmarkt ontregelt door Oost-Duitsers er voor te betalen dat ze niet gaan werken.

In het Schlosshotel ontvouwt Von Dohnanyi een reddingsplan. De regering heeft de nieuwe deelstaten vanaf 2005 nog eens 160 miljard euro toegezegd en wil een deel van dat geld wederom aan de infrastructuur besteden. Von Dohnanyi is het daar niet mee eens.

,,Het heeft geen nut om nog meer geld in de infrastructuur te steken. Daarover vechten we met de regering. De enige oplossing is het versterken van de economische basis.''

Daar zal niemand iets tegen hebben, maar hoe doet men dat?

Von Dohnanyi: ,,Je moet de kernen van bedrijvigheid die er nu zijn koesteren en uitbreiden. Je moet clusters van ondernemingen aanwijzen en die systematisch ondersteunen, bijvoorbeeld door er een professioneel management voor in het leven te roepen. Zoiets kost niet veel, zeker niet als je het vergelijkt met de bouw van overbodige bruggen.''

Sommige gebieden krijgen dan wel iets, andere niet. Is dat politiek haalbaar?

,,We moeten een gecoördineerde strategie hebben en die kun je nu eenmaal niet voor een heel gebied ontwikkelen.''

Von Dohnanyi wil veelbelovende bedrijven centraal stellen en niet langer algemene maatregelen voor zwakke regio's nemen. Hij verwijst naar de automobielindustrie rond Leipzig, de chipfabrieken rond Dresden, veelbelovende projecten in de gezondheidszorg.

Overheidsgeld mag alleen nog maar daar uitgegeven worden waar een kans op succes bestaat. Dat betekent onder andere dat geld direct aan ondernemingen ten goede moet komen, dat bureaucratie in Oost-Duitsland snel wordt verminderd, dat met belastingvoordelen of loonsubsidies laagbetaald werk een kans krijgt. ,,Het weinige geld dat beschikbaar is moet ten goede komen aan faciliteiten die voor ondernemingen essentieel zijn: belastingfaciliteiten voor onderzoek en ontwikkeling bijvoorbeeld, soepeler kredietfaciliteiten.''

Als je alle ideeën van Von Dohnanyi bij elkaar optelt zou in Oost-Duitsland een `speciale economische zone' ontstaan. Von Dohnanyi gebruikt die term eigenlijk liever niet: hij doet te veel denken aan ontwikkelingslanden.