Alles over de symbolisten

Veel kunstuitleggers hebben de onweerstaanbare behoefte om zoveel mogelijk symbolische waarde toe te kennen aan geschilderde mensen, dieren en dingen. Kaarsen heten al gauw fallussymbolen, gevlogen vogels staan voor verloren maagdelijkheid – niets is toevallig. Behalve bewondering wekken zulke geleerde interpretaties ook nogal eens argwaan, want waarom zou een schilder niet zonder meer een kaars of vogel hebben willen weergeven? De enige kunst waarop met een gerust hart alle denkbare interpretaties kunnen worden losgelaten, is de kunst die aan het einde van de negentiende eeuw werd gemaakt door de symbolisten. Onder die naam stond een internationale beweging van schilders al in haar eigen tijd bekend. In hun werk heeft dan ook werkelijk iedere figuur en elk voorwerp iets te betekenen: zelfs achter de lijnen waarin ze getekend zijn, schuilt een theorie.

De kunsthistorica Bettina Spaanstra-Polak promoveerde in 1955 op het symbolisme in de Nederlandse kunst. Haar uitputtende maar zeer leesbare proefschrift geldt tot op de dag van vandaag als standaardwerk en is daarom onlangs integraal – in het oorspronkelijke zetsel, inclusief zetfouten – heruitgegeven. Spaanstra behandelt de vier voornaamste representanten van de stroming in Nederland: Jan Toorop, Johan Thorn Prikker, Antoon Der Kinderen en Richard Roland Holst. Heel precies zet ze uiteen hoe hun belangrijkste werken zich thematisch en stilistisch verhouden tot elkaar, tot de literatuur van bijvoorbeeld de Tachtigers en tot het werk van geestverwante schilders in het buitenland. Er is geen bloem, fabeldier of titel waarvan Spaanstra de betekenis en herkomst niet overtuigend kan verklaren. Haar intelligente, begrijpelijke uitleg staat vaak in schril contrast met de onbeholpen stijl en de goedkope symboliek van met name Toorop en Roland Holst.

Zij probeerden in hun tekeningen en schilderijen angst, vergankelijkheid en noodlot te verbeelden, maar deden dat op zo'n theatrale, overgestileerde manier dat het op de hedendaagse kijker geen enkele indruk maakt. Hun werk is veel te sierlijk en keurig om onheilspellend te zijn. Treurwilgen zijn bij Toorop paddestoelen met zwierige tentakels waar gezellig getekende plumeaus aan hangen. Een spookhuis op een willekeurige kermis is griezeliger dan zijn bordkartonnen boosaards met hun karikaturale gezichten en houterige, los van hun lijven zwevende grijpklauwen. Met de bleke, bange maagden op wie deze monsters het gemunt hebben, kunnen alleen gothic-meisjes van zestien zich nu misschien nog vereenzelvigen.

Over dit alles spreekt Bettina Spaanstra-Polak zich niet uit. Hooguit citeert zij een kritische tijdgenoot als Aegidius Timmerman, die over Toorop schreef: `Zijn symboliek was naïef en goedkoop en lag voor het grijpen.' Spaanstra brengt het Nederlandse symbolisme alleen in kaart, zonder persoonlijk oordeel, maar met een geduld, een scherpte en een grondigheid die vandaag de dag zeldzaam zijn. Haar boek is na een halve eeuw nog steeds ouderwets goed, terwijl de kunst waarover het gaat hopeloos verouderd is.

Bettina Spaanstra-Polak: Het Symbolisme in de Nederlandse schilderkunst 1890-1900. Thoth, 480 blz. €39,90