Afrikaans in doodsstrijd

Het Afrikaans wordt in Zuid-Afrika gezien als de taal van de apartheid. Breyten Breytenbach distantieert zich nadrukkelijk van zijn eigen werk. ,,Afrikaans-sprekenden schamen zich voor hun taal.''

Op de in lentebloei gehulde campus van de universiteit van Potchefstroom in het hart van het voormalige Transvaal, op zo'n 140 kilometer van Johannesburg, komen letterkundigen uit alle windstreken de balans opmaken van de studie van het Afrikaans. Het ziet er rooskleurig uit, zegt het congresprogramma. Iedereen kan hier horen ,,hoe lewenskragtig die navorsing in die Afrikaanse taal- en letterkunde'' is en dat ,,die band met die Nederlandse taal- en letterkunde nie verflou nie''.

Maar waar is Breyten Breytenbach? De grootste levende Afrikaanstalige schrijver en dichter laat pal voor het congres, in de week waarin hij in zijn woonplaats New York zijn 65ste verjaardag viert, weten dat hij zich voorgoed van het Afrikaans en de Afrikaners heeft afgekeerd. Dit symbool van het Afrikaner-verzet tegen apartheid zal nooit meer in zijn moedertaal publiceren.

Een hele dag was uitgetrokken voor de bespreking van Breytenbachs oeuvre. Hoogleraren en onderzoekers van diverse Zuid-Afrikaanse universiteiten hadden indrukwekkende referaten voorbereid, er werd een documentaire over de dichter/schilder vertoond, zijn poëziebundels waren onderwerp van gedetailleerde analyses. Voorop het congresboek en op de badges die de deelnemers kregen opgespeld, prijkte het portret van Breytenbach, de trots van Afrikaner intellectuelen.

Een handvol vrienden stuurde hij de laatste jaren nog wel eens een gedicht in het Afrikaans. Prof. Helize van Vuuren van de Universiteit van Port Elizabeth behoort tot dit selecte gezelschap. Op het congres had ze over deze nog ongepubliceerde gedichten willen praten, waarvoor ze de dichter per e-mail toestemming vroeg. Zijn heftige en wat zij noemde `zichzelf verwerpende' reactie had haar met stomheid geslagen. ,,Ik maak er wel degelijk bezwaar tegen dat jij, of wie dan ook, over mijn werk wil praten!'', gaf hij haar te kennen. ,,Morbide gemors en zwakke, tijdgebonden aanstellerij'', noemde hij zijn poëzie, die ,,nooit gepubliceerd had mogen worden, geen objectieve waarde heeft en in ieder geval nooit objectief beschouwd kan worden''.

Volgens Van Vuuren smijt Breytenbach hiermee ,,zijn hele kostbare oeuvre'', ,,een levenstaak waaraan hij veertig jaar heeft gewerkt'' en dat ,,Nobelprijswaardig'' is, op de mestvaalt. Ze schreef hem terug dat ze zijn houding niet begrijpt, herinnerde hem eraan dat hij als tegenstander van de apartheid (hij zat zeven jaar in de gevangenis) een voorbeeld is geweest voor vele Afrikaners en hen ervan bewust heeft gemaakt dat het Afrikaans creatief en opwindend kan zijn. Ze bestempelde hem als ,,het glanzende voorbeeld van een alternatieve Afrikaner'', maar kreeg als antwoord dat hij die rol niet ambieert. ,,Ik heb eenvoudig besloten nooit meer nieuw werk in het Afrikaans te publiceren, onder andere om uit het geheugen van de mensen te verdwijnen, zodat jullie niet voortdurend woede-aanvallen hoeven te krijgen bij het louter horen van mijn naam.''

De breuk van Breytenbach met het Afrikaans kwam voor de goede verstaanders van zijn werk niet onverwachts. In zijn laatst verschenen bundel, Papierblom (1998), schreef hij over zijn taalgenoten: `ek es nie meer een van ons nie' (Ik hoor er niet meer bij).

Tijdens het congres op de campus van Potchefstroom, vanouds een conservatieve protestantse Afrikaner enclave, werd behalve door Helize van Vuuren alleen maar gefluisterd over de tragische vervreemding van Breytenbach van zijn taal en taalgemeenschap. Francis Galloway, onderzoekster aan de Universiteit van Pretoria die het boek Breytenbach as openbare figuur publiceerde en onlangs nog in het Afrikaanse Tydskrif vir letterkunde een artikel wijdde aan het cyclische ritme van aanvaarding en verwerping (beurtelings liefde en haat) in de verhouding tussen Breytenbach en de Afrikaner, hield een lezing over Breytenbachs uitgeefgeschiedenis, maar zweeg over de breuk van de dichter met het Afrikaans.

Vooraanstaande Afrikaner letterkundigen zien nog toekomst voor hun taal, die als de taal van de apartheid wordt verketterd. Maar is die toekomst er? Daarover vielen tijdens het in Potchefstroom gehouden congres van de Afrikaanse Letterkunde Vereniging (ALV) en de Suider-Afrikaanse Vereniging vir Neerkandistiek (SAVN) tegenstrijdige geluiden te horen. En dan voornamelijk in de wandelgangen.

Er zijn omineuze tekenen. Het onderzoek naar het Afrikaans wordt belemmerd doordat het aantal studenten Afrikanistiek drastisch terugloopt. Ook de band met de Nederlandse letterkunde – Afrikanistiek en Neerlandistiek vormen in Zuid-Afrika één vak – verflauwt. Nederlandse boeken zijn nauwelijks meer te krijgen in Zuid-Afrika. Misschien juist daarom wilde men op dit, met subsidie van de Nederlandse Taalunie georganiseerde, congres demonstreren dat het Afrikaans (de jongste van alle Germaanse talen en gesproken door ongeveer zes miljoen van de 42 miljoen Zuid-Afrikanen) springlevend is en wel degelijk toekomst heeft.

Er zijn dan ook niet alleen maar negatieve signalen. Dankzij het werk van prof. dr. J.C. Kannemeyer, met stip de meest vooraanstaande Afrikaner letterkundige, bloeit de Afrikaner letterkundige biografie. Hij hield er een briljant referaat over. Kannemeyer schreef, behalve een tweedelige Geskiedenis van die Afrikaanse literatuur, biografieën van Afrikaanse schrijvers als D.J. Opperman, Peter Blum, C.J. Langenhoven, Louis Leipoldt en Uys Krige, allemaal zowel hartstochtelijke beoefenaars van het Afrikaans als bestrijders van de apartheid. Tijdens het congres werd zijn zesde biografie in twintig jaar tijd gepresenteerd, een schitterend boek over de idealistische, geëngageerde anti-apartheidsschrijver Jan Rabie (1920-2001). Rabie woonde evenals Breytenbach jarenlang in Parijs en kwam daar via zijn vrouw, de Schotse schilderes Marjory Wallace, in contact met de schilders van de Cobra-groep en Nederlandse schrijvers als Rudy Kousbroek en Simon Vinkenoog, die beiden voor de biografie zijn geïnterviewd.

Rechtse Afrikaners scholden Rabie natuurlijk uit voor communist en volksvijand. De veiligheidspolitie beschouwde hem als `verdacht persoon'. Maar – en dat is voor de actualiteit van meer betekenis – hij werd ook van meet af aan gewantrouwd door sommige anti-apartheidsactivisten. En wel precies wegens zijn liefde voor het Afrikaans. Rabie, blijkt uit het boek van Kannemeijer, was ervan overtuigd dat de apartheidspolitiek de Afrikaners niet alleen vervreemdde van `ons bruin broers' en de rest van de mensen in het land, maar ook het voortbestaan van het Afrikaans bedreigde. Na de afschaffing van de apartheid schreef hij: ,,Ik heb een droom dat Afrikaans, en niet huidskleur, in het hele land de navelstreng zal zijn van een groot Afrikaans land, een Afrikaanse droom.'' Maar, zo voegde hij eraan toe, vermoedelijk is het een vergeefse droom...

Door André Brink, sinds jaar en dag een van de belangrijkste Afrikaner romanschrijvers en Nobelprijskandidaat, is de biografie van Jan Rabie begroet als een werk dat kan zorgen voor een herwaardering van `Rabie's onmisbare bijdrage'. Kennelijk deelt Brink het ideaal van Rabie en is hij optimistisch gestemd over de toekomst van zijn taal. Rabie's biograaf Kannemeyer is er zelfs vast van overtuigd dat zijn moedertaal nooit verloren gaat.

Excentriek

John Kannemeyer, een excentrieke libertaire blanke geleerde, werd in 1939 in de Kaapprovincie geboren. Tegenwoordig is hij hoogleraar Afrikanistiek en Neerlandistiek aan de universiteit van Stellenbosch, de van oorsprong Afrikaner universiteit in de Westkaap waar de blanke elite haar opleiding genoot. Zijn twee zoons Anton en Mark Kannemeyer, over wie hij met trots spreekt, zijn populaire progressieve Afrikaner striptekenaars.

Kannemeyer beschrijft hoe Jan Rabie tegen de klippen op zijn droom van een onbelast Afrikaans najoeg en zelfs zijn literaire werk daaraan opofferde. Een tragische held? Dat vindt Kannemeyer dan weer te sterk uitgedrukt. ,,Wel is het zo dat hij zijn schrijverschap in dienst heeft gesteld van het verzet. Veel van zijn romans waren anti-apartheidspropaganda en dat leverde geen goede boeken op. Zelf zag hij dat ook in – en dat is het tragische aan hem. Hij heeft één hele sterke roman gepubliceerd: Die groot anders-maak, spelend in het begin van de achttiende eeuw, over de manier waarop de Khoi-mensen (vroeger de hottentotten genoemd) veranderden onder de westerse invloeden, die een bedreiging vormden voor hun cultuur. Hij was de eerste van wat later de `generatie van zestig' zou worden die in zijn romans met politiek bezig was, nog voor André Brink en Etienne Leroux. Voor veel jongeren was hij een idool, een angry young man, die geen blad voor de mond nam en heilige huisjes omver trapte. In 1963 begon een fel censuurbeleid in Zuid-Afrika en daar zijn, in navolging van Jan Rabie, alle Afrikaner schrijvers tegen in verzet gekomen.''

Volgens Kannemeyer was Rabiesdroom niet groot genoeg omdat hij zwarte mensen uitsloot. ,,Rabie zag in de Kaap, waar alle kleurlingen Afrikaans als eerste taal hebben, een groot nieuw volk tot stand komen met het Afrikaans als gemeenschappelijke factor. Dat was zijn droom, maar zwarte mensen kwamen daar niet in voor. Zijn verweer daartegen was dat toen hij in de Zuid Kaap opgroeide daar geen zwarte mensen woonden, alleen blanken en kleurlingen.'' Jan Rabie beschouwde het Afrikaans als de grootste veelrassige prestatie van Zuid-Afrika. Dat vond hij mooi en, zegt Kannemeyer, ,,ik vind dat ook mooi''.

Anders dan Rabie gelooft hij niet dat het Afrikaans als de taal van de voormalige blanke onderdrukkers wordt gezien. ,,Ook het ANC beschouwt het Afrikaans niet als zodanig'', zegt hij. Hij heeft er begrip voor dat de regering uit praktische overwegingen het Engels bevordert als lingua franca van Zuid-Afrika. Maar ziet hij, te midden van de alom oprukkende `verengelsing', dan nog toekomst voor het Afrikaans? ,,Ik denk dat alle Afrikaners bekommerd zijn over de toekomst van hun taal. Het wordt sinds 1994 teruggedrongen in het parlement en de rechtsspraak.'' Toch wil hij niet voetstoots aannemen dat het Engels het gaat winnen. ,,Zuid-Afrika heeft elf nationale talen en in de grondwet zijn al die talen beschermd. Als ik voor een rechtbank moet verschijnen kan ik nog altijd eisen dat mijn proces in het Afrikaans wordt gevoerd.''

In 1992 werd Kannemeyer door de Nederlandse onderzoekster Ingrid Glorie geïnterviewd voor het tijdschrift Literatuur. Daarin sprak hij de angst uit dat, als het ANC aan de macht zou komen, de onder het apartheidsbewind ingestelde censuurwetgeving aangescherpt zou worden – wat ook een bedreiging voor het Afrikaans zou kunnen vormen. ,,Men moet geen ogenblik denken'', zei hij bij die gelegenheid, dat de censuurwetgeving zal veranderen als het ANC aan het bewind komt. Helemaal niet! De leiders van het ANC zijn erg conservatieve mensen. Op het gebied van homoseksualiteit in de literatuur zal het ANC bijvoorbeeld weinig vrijzinnige dingen zonder meer dulden.''

Nu is hij verbaasd dat hij dit voorspeld heeft. ,,Het is niet uitgekomen. Het ANC is juist erg tolerant tegenover homoseksualiteit, in tegenstelling tot Mugabe in Zimbabwe. Er is beslist geen censuur op het morele vlak, alle censuurwetten zijn afgeschaft.''

Volgens Kannemeyer is een schrijver als Breyten Breytenbach niettemin teleurgesteld in het ANC. Hij verklaart de houding van de dichter uit die teleurstelling. ,,Hij heeft zeven jaar in de gevangenis gezeten wegens zijn strijd tegen de apartheid en had iets verwacht van het ANC, ter compensatie. Hij heeft van die kant nooit erkenning voor zijn opoffering gekregen.''

Op dit punt mengt Helise van Vuuren zich in ons gesprek. Zij is van mening dat Breytenbach teleurgesteld is, niet zozeer in het ANC als wel in de Afrikaners én ze koppelt de positie die hij inneemt direct aan de ongewisse toekomst van het Afrikaans.

,,Het Afrikaans wordt serieus bedreigd'', meent zij. ,,Het wordt wel degelijk beschouwd als de taal van de onderdrukkers. Aan de universiteit van Witwatersrand in Johannesburg is het vak Afrikanistiek/Neerlandistiek al verdwenen. Alle witte schrijvers worden gewantrouwd: Jan Rabie, Breytenbach, Antjie Krog: ze waren allemaal tégen de apartheid, maar er is bijna niemand die dat weet, witte schrijvers krijgen een teerkwast over zich heen.'' En dan honend: ,,De hooggeleerde Kannemeyer gelooft dat niet, omdat hij in Stellenbosch zit waar iedereen wit is. Hij heeft niet te maken met de Afrikaanse realiteit. Op mijn universiteit in Port Elizabeth zijn het bestuur en de medewerkers anti-Afrikaans. Studenten kiezen dat vak niet meer, omdat ze vinden dat het Afrikaans een stigma heeft en de Afrikaans-sprekenden onder hen hebben dat stigma geïnternaliseerd. Ze schamen zich voor hun taal. Volgens Breytenbach zal het Afrikaans zijn gat gaan zien. Hij heeft voorspeld dat Afrikaners het land zullen verlaten. En dat is precies wat er gebeurt. Afrikaners vertrekken bij bosjes en als ze blijven verengelsen ze en laten ook hun kinderen verengelsen. Ze sturen hun kinderen naar Engelse scholen omdat ze daar betere toekomstmogelijkheden hebben. Daar valt nauwelijks tegen te strijden, dus komen er steeds minder studenten Afrikaans.''

Helise van Vuuren studeerde begin jaren tachtig in Utrecht en kreeg daar van medestudenten dagelijks het verwijt naar haar hoofd dat ze als blanke Zuid-Afrikaanse medeverantwoordelijk was voor de apartheid. ,,Ik had daar nachtmerries over. Nu ervaar ik hier precies hetzelfde van mijn mede-Zuid-Afrikanen en niet alleen van zwarte mensen. Ik heb een Afrikaner collega op Port Elizabeth die zich inzet voor de afschaffing van het Afrikaans als vak aan de universiteit. Hij schaamt zich voor de Afrikaners, hoewel hij daar zelf uit voortkomt als boer. Zo is de toestand op de meeste universiteiten. Behalve op Stellenbosch, daar wordt het Afrikaans beschermd. Elders is de positie van docenten Afrikaans bedreigd, we worden dagelijks gekwetst, onze banen staan op het spel, door de teruglopende studentenaantallen. We zijn met vijf hoogleraren Afrikaans voor vijf of zes derdejaars.''

Teruggang

Van Vuuren vreest dat dit congres over Afrikanistiek en Neerlandistiek in Potchefstroom wel eens het laatste zou kunnen zijn uit de geschiedenis. Sterker: ze is van mening dat het Afrikaans binnen afzienbare tijd zal uitsterven. Kannemeyer protesteert daartegen. ,,Het kan natuurlijk wel, maar ik denk niet dat het Afrikaans de komende honderd jaar zal verdwijnen. Misschien wordt het steeds verder ondermijnd. Er is sprake van een teruggang, maar daar komt ook weer een reactie op. Afrikaans is een vitale taal, met een vitale literatuur en met belangrijke schrijvers als André Brink, Karel Schoeman, Antjie Krog, Etienne van Heerden, Wilma Stockenström. Zo'n taal verdwijnt niet zomaar.''

Zijn collega uit Port Elizabeth helpt het hem hopen. ,,De literatuur is mijn enige hoop, maar Afrikaner schrijvers kunnen hier niet meer leven van hun boeken, ze verdienen er alleen maar aan als ze vertaald worden. Hier worden ze nauwelijks gelezen. Misschien wil Breytenbach daarom niet meer in het Afrikaans publiceren. Het zou kunnen dat hij het stigma dat er, hoe onterecht ook, aan kleeft eveneens heeft geïnternaliseerd.''

Twee dagen na deze bittere opmerking loop ik in Soweto bij Johannesburg het Hector Peterson Centre binnen, waar een museum is opgericht ter herinnering aan de opstand van juni 1976, toen zwarte scholieren in deze township de straat op gingen om te protesteren tegen het verplichte onderwijs in Afrikaans. Hector Peterson was de eerste van de vele honderden kinderen die door de politie werden doodgeschoten. In het museum hangt prominent een origineel protestbord dat tijdens die eerste demonstratie werd meegedragen: `To hell with Afrikaans' staat er op.

In een ander deel van Johannesburg bezoek ik daarna het nieuwe Apartheidmuseum. Tussen de gehate boerenkoppen van Verwoerd, Vorster en Botha, die op videobeelden in rond Afrikaans de apartheid preken, duikt weer het beeld op van dat protestbord: To hell with Afrikaans! Een welluidende Engelstalige stem geeft uitleg. `Een museum, dát is de plek waar apartheid thuishoort.' Mij zou het spijten als het binnen afzienbare tijd ook de enige plek is waar nog Afrikaans te beluisteren valt.

`Ek es nie meer een van ons nie'

`To hell with Afrikaans'