Waits

De nieuwe Tom Waits is uit.

De ware liefhebber van deze Amerikaanse zanger proeft dit zinnetje al enkele dagen voorop zijn tong, alsof het een nieuwe haring is. Er zijn veel van zulke liefhebbers.

De acht concerten die Waits in november in vier Europese steden geeft, zijn al allemaal uitverkocht. Afgelopen zaterdag startte de voorverkoop voor drie concerten in Carré. Binnen een kwartier was alles verkocht, de website van Carré bezweek onder 900.000 `hits'. Uit de hele wereld kwamen aanvragen binnen. Het bleek geen bezwaar dat de kaartjes, op aandringen van Waits zelf, exorbitant duur zijn: ongeveer 100 euro.

Waits treedt zelden op, iedereen wil erbij zijn. Ik ook? Ik merkte dat de twijfel zwaar knaagde. Ik had hem al tweemaal eerder zien optreden, maar er speelde nog iets anders mee dat belangrijker was.

Ik heb Waits vanaf het eerste uur – zijn debuutelpee Closing Time uit 1973 – op de voet gevolgd, maar mijn bewondering is de laatste jaren tanende. Zijn muziek begint voor mij een nogal onherbergzaam gebied te worden, waar het mooie, treurige lied een steeds zeldzamer bloem is. Waits maakt geen muziek meer, maar kúnst, denk ik wel eens. Hij is zich te bewust van zichzelf geworden.

Ik besloot eerst maar eens voorzichtig naar `de nieuwe Waits' te gaan luisteren: de cd Real gone. Mijn platenboer had hem al op een stapeltje naast de kassa liggen. Ik onderdrukte de neiging om hem te vragen wat hij er zélf van vond – het is tenslotte zijn nering – en begon te luisteren.

Mijn angstige voorgevoelens werden snel bewaarheid.

Waits doet, een enkel nummertje daargelaten, geen pogingen meer om nog enigszins normaal te zingen, hij zucht, brult en krijst alleen nog maar, en liefst via een stemvervormer. Melodieën zijn iets verdachts geworden waar hij zich zo min mogelijk mee wil inlaten. Het geluid dat op die manier ontstaat doet nog het meest denken aan dat van een man die aan zijn genitaliën door een badkuip met gloeiende pek en zwavel wordt gesleept, terwijl zijn beulen op de achtergrond in een woest koortje meebrullen: ka-boem, ka-boem, ka-boem.

Af en toe deed ik mijn koptelefoon af om even te genieten van de weldadige stilte buiten het Waits-universum.

Het werd tijd om kleur te bekennen. Een historisch moment in mijn bestaan. Dit was de eerste `nieuwe Waits' die ik niet zou kopen, en ik zou ook zeker geen 100 euro neertellen voor zo'n concert in Carré.

,,Het spijt me, ik doe het niet'', zei ik tegen mijn platenboer. Nogal zacht, want ik schaamde me toch wel een beetje.

Hij keek me tot mijn verbazing begripvol aan, alsof hij meevoelde met mijn worsteling. Toen zei hij laconiek: ,,Het viel mij ook niet mee.''

Hij legde uit dat zich steeds meer twee kampen aftekenen onder de Waits-fans: liefhebbers van het vroegere werk en liefhebbers van het nieuwe werk. ,,Wij houden meer van het oudere werk'', zei hij.

Dankzij deze kernachtige analyse kon ik toch nog enigszins getroost naar huis. Ik was begrepen, wat wil een mens nog meer?