Turkije, mettertijd

De strategisch sterk opererende premier van Turkije, Erdogan, heeft in zijn Europese gesprekken altijd maar één doel nagestreefd: zijn land volwaardig lid van de Europese Unie maken. Er is geen andere weg voor ons, geen partnerschap onder voorwaarden of iets dergelijks. Dat zijn samengevat zijn woorden in een vraaggesprek met het Duitse blad Der Spiegel van deze week.

Een volwaardig lidmaatschap ligt binnen bereik nu de Europese Commissie gisteren liet weten dat wat haar betreft de toetredingsgesprekken met Turkije kunnen beginnen. Niet ongeclausuleerd, weliswaar, maar toch: het dagelijks bestuur van de Unie acht het kandidaat-lid Turkije rijp voor onderhandelingen. De EU-regeringsleiders en de tijd kunnen nog roet in het eten gooien. Maar voorlopig heeft Erdogan gedaan gekregen waarvoor hij zich de afgelopen jaren zo heeft ingespannen; een monumentale prestatie gelet op alle problemen.

Dat betekent niet dat Turkije snel EU-lid is. Of dat er geen hobbels meer te nemen zijn. Laat staan dat de onlustgevoelens in Europa over het aanstaande Turkse lidmaatschap met het oordeel van de Commissie verdwijnen. Met recht is geen jaar van toetreding genoemd. Het gaat erom dat het land eerst aan de politieke en economische eisen voldoet die de Unie aan het lidmaatschap stelt. Dat dient ook het uitgangspunt te zijn voor het begin van de toetredingsonderhandelingen. Eerst aan de voorwaarden voldoen, niet alleen op papier maar ook in de praktijk, en dan pas praten.

Het was gezien de politieke en economische risico's onvermijdelijk dat de Commissie er ook nog expliciet bij vermeldde dat de `noodrem' in werking kan treden: de gesprekken worden stopgezet als de Turkse hervormingen vastlopen. Dit is streng, maar het is een terechte erkenning van het feit dat Turkije een geval apart is. Door zijn omvang, het Koerdische vraagstuk, door de armoede, de status van het leger en, inderdaad, door de maatschappelijke en politieke rol van de islam.

Het ongemak hierover bij menig Europeaan kan niet terloops of onder het mom van in gang gezette procedures worden weggewuifd. De eerste test is wat dat betreft de top van de EU-regeringsleiders, eind dit jaar te houden onder Nederlands voorzitterschap. De politieke leiders doen er goed aan zich in ernst te buigen over hoe de brede anti-Turkse sentimenten in de Unie te kanaliseren. Het gaat niet aan om het principiële debat over religie en cultuur te ontwijken, een trend die onder andere waarneembaar is bij de grote politieke partijen in Duitsland, het land met de grootste Turkse gemeenschap in de EU.

De discussie is laat op gang gekomen en kan maar beter worden gevoerd voordat onderhuids levende gevoelens een eigen en onbeheersbare dynamiek krijgen. Veel van de onlust komt voort uit (wederzijdse) onbekendheid. Niet bij de kleine groep politici en hun ambtenaren, de Turkije-kenners en de rapportenmakers, maar wel bij de massa. Een kloof zo breed als de Bosporus dreigt als geen nadere uitleg volgt. Er hoeft geen grond te zijn voor de veronderstelling dat de mensenrechten, de Turkse economie of de islam belemmeringen zijn voor toetreding. Maar het moet wel worden hardgemaakt én uitgedragen.

Op deze plaats is eerder gesteld dat, alles afgewogen, Turks lidmaatschap meer voor- dan nadelen heeft voor zowel de Unie als Turkije. Duidelijk is echter dat er nog een lange weg te gaan is en dat succes niet is gegarandeerd. De rem kan erop worden gezet, en dat is maar goed ook. De EU moet nog bekomen van de meest recente uitbreiding. In 2005 gaan alweer de gesprekken met Kroatië van start en de probleemgevallen Roemenië en Bulgarije staan te rammelen aan de poort. Laat de tijd vooral lang zijn werk doen.