Stop verwennerij moslimstudenten

Door moslimstudenten alle mogelijke faciliteiten te bieden om hun geloof te belijden, draagt het niet-confessionele hoger onderwijs bij tot segregatie. Dat proces moet worden gekeerd, meent August Hans den Boef.

Een forumdiscussie op de Vrije Universiteit in Amsterdam over kledingvoorschriften is altijd goed voor botsende meningen. ,,Ontluisterend'', oordeelde Frits Abrahams, omdat de discussie zich al snel toespitste op de niqab en de burqa, waarvan hij het verbod ,,niet onredelijk'' vindt, in tegenstelling tot de meeste aanwezigen. Uitgezonderd Fouad Laroui, auteur en medewerker van de VU: ,,Hij wijst erop dat hij in Marokko nooit zulke sluiers heeft gezien.'' (Achterpagina, 5 oktober).

Versneld door de situatie na 11 september 2001 wenden steeds meer studenten met een islamitische achtergrond zich af van wat ze beschouwen als `westerse decadentie' en kiezen zij voor isolement in eigen kring. Ze kiezen voor een ostentatieve aanwezigheid als moslim. Via kleding – de hoofddoek als banier – en baarddracht, door het bezoek aan gebedsruimten in de onderwijslocaties, door het in acht nemen van de gebruiken als de ramadan, maar ook door een actief groepsgedrag dat andere studenten (en medewerkers) buitensluit. Een problematische ontwikkeling en weinig bevorderlijk voor het onderwijsklimaat.

Het probleem is dat jongeren met een moslimachtergrond onder een grote en toenemende druk staan om zich af te keren van de westerse decadentie en daarom de gebruiken van de vrome moslim in acht moeten nemen. Die druk komt van verschillende kanten: van ouders, van broers, zusters, hangjongeren in de buurt, medestudenten en (postmoderne) docenten. Maar vooral van reborn muslims onder hun medestudenten, die onder het mom van het zoeken naar de identiteit een U-bocht maken naar de traditionele, conservatieve opvattingen van hun ouders of daaraan nog een extra fundamentalistische draai geven. De hoofddoek fungeert voor sommigen daarbij als het dragen van Lonsdale kleding.

Moslimjongeren moeten al zo manoeuvreren tussen verschillende culturen, tussen verschillende loyaliteiten, tussen moskee en disco, en daarom is het des te tragischer dat het hoger onderwijs hun geen veilige haven biedt waar zij in alle rust hun identiteit kunnen ontdekken. Want het beleid van Nederlandse universiteiten en hogescholen – ik beperk me tot de niet-confessionele – jegens moslimstudenten heeft de afgelopen jaren contraproductief gewerkt en in plaats van integratie een proces van segregatie in gang gezet. Daarom is het verheugend dat het College van Bestuur van de Vrije Universiteit met deze traditie lijkt te breken, ook al formuleert het de kledingvoorschriften wat onhandig en gaat het om een eerste, kleine stap.

Dat beleid – het honoreren van multiculturaliteit, nu heet dat diversiteit – strekte zich in principe uit tot alle studenten met een allochtone achtergrond. In de praktijk echter faciliteerde het veel meer wensen van moslimstudenten dan bijvoorbeeld van Surinaamse, Antilliaanse of Chinese. Sommige moslimgroeperingen zijn immers goed georganiseerd en ze zijn in staat om een voortdurende druk op de aanbieders van faciliteiten uit te oefenen.

Wat kregen ze? Om vijfmaal per dag te kunnen bidden stilteruimtes (die in Amsterdam soms officieel `gebedsruimtes' heten en door fundamentalisten blijken te zijn gemonopoliseerd); moslimouderdagen – waarvoor ondeugende affiches uit de gebouwen werden verwijderd – waar overigens vrijwel geen ouder kwam opdagen. Wel moskeebestuurders; evenementen over de islam waarbij niet-moslims werden geweerd. Begrijpelijk, want daar voerden verklaarde sympathisanten van Bin Laden – na `9/11' – geregeld het woord, evenals andere apostelen van de islamitische segregatie, bestuursleden van de Arabisch-Europese Liga bijvoorbeeld.

Ze kregen curricula voor een imamopleiding, voor koran-Arabisch en in Amsterdam een studie islamologie die op moslimstudenten is toegesneden. Joodse studenten beschikken bijvoorbeeld niet over cursussen Hebreeuws (die ook reformatorische studenten graag zouden willen volgen) om studiepunten te halen. Allemaal faciliteiten vanuit de ideologie dat je studenten uit een collectivistisch en contextgevoelig milieu als groepslid moet behandelen en dat je zoveel mogelijk de vertrouwde groepselementen in de onderwijsomgeving moet introduceren. Waarmee de sociale controle zich tegenwoordig ook uitstrekt tot kantine en collegezaal.

Steeds meer studenten geven toe aan de anti-westerse druk door zich te sluieren of anderszins aan te passen. Anderen beperken zich tot de strategie van de openlijke verklaring dat ze zich moslim voelen en de koran als leidraad hanteren. Een van mijn studenten verklaarde onlangs op tv dat ze sinds een paar maanden vijf keer per dag bad en ooit een hoofddoek zou gaan dragen. Ze was wat op internet aan het surfen en had het licht gezien. Waarschijnlijk is haar uitspraak een deel van de genoemde code jegens de omgeving: laat mij nog even met rust!

Het gaat snel, dit proces en het omvat vaak veel meer dan de outfit. Voortaan louter omgaan met gelijkgezinden, willekeurige, negatieve feedback steevast interpreteren als discriminatie en het negeren van andersdenkenden. Een self fullfilling prophecy: natúúrlijk reageren mensen onwennig als iemand in de naaste omgeving opeens de outfit, maar vooral ook het gedrag verandert. Die voelen zich daardoor immers buitengesloten. Je maatje begint elke redenering in je onderwijs tegenwoordig met mantra's als: ,,Omdat ik moslim ben, vind ik dat...'' of ,,De koran leert immers...'' Zit in de kantine niet meer bij jou aan tafel, maar bij andere studenten. Zij hebben slechts hun religie met elkaar gemeen, niet al de ervaringen in het onderwijs en het dagelijks leven die jij de afgelopen tijd met hem of haar deelde.

Moslims in Nederland kennen een extreme endogamie (trouwen binnen de groep) die uiteraard niet bevorderlijk is voor integratie. Vrouwen moeten daarom liever niet al te veel omgaan met mannelijke studenten uit een niet-islamitische omgeving. Want mannelijke moslims mogen met een niet-islamitische partner trouwen, maar vrouwelijke moslims niet.

Deze praktijk determineert het gedrag van jonge moslims op de relatiemarkt en beperkt daardoor ook de mogelijkheid om tijdens de studie nuttige contacten te leggen. Relatief veel islamitische studenten zijn getrouwd, voordat ze hun opleiding hebben voltooid of zelfs voordat ze eraan beginnen.

Het aanknopen van vriendschappelijke en intieme relaties met studenten die een andere achtergrond hebben wordt hierdoor ernstig beperkt, net als het ontwikkelen van een professionele attitude. Het hoger onderwijs biedt immers niet alleen een set van kennis en vaardigheden, maar ook een houding. Productief kunnen samenwerken op basis van je communicatieve en sociale vaardigheden en je kennis van andere culturen, dat is iets wat je moet leren. Het zelfgekozen isolement van sommige moslims zorgt dan ook voor acute, praktische problemen – bij de stage bijvoorbeeld.

Universiteiten en hogescholen zouden daarom vooral een onderwijsklimaat moeten bieden dat voor alle studenten contacten met medestudenten uit een andere sfeer stimuleert. Hierbij hoort het geven van ruimte en gelegenheid om de eigen identiteit te vinden. Hoger onderwijs biedt studenten nu eenmaal de mogelijkheid om zonder de continue druk van de ouderlijke omgeving te reflecteren op ethische, politieke, morele en religieuze kwesties. De gelegenheid om kennis te maken met andere opvattingen, die te toetsen aan die waarmee de student is opgevoed en uiteindelijk eigen opvattingen te ontwikkelen. Een proces waarbij gaandeweg vanzelfsprekendheden uit het ouderlijk milieu verdwijnen en worden vervangen door authentieke, zelfgekozen, professionele opvattingen die zich uiteraard ook zullen uitstrekken tot het privé-domein.

Net als al heel lang bij christelijke en joodse studenten kan dat proces ook bij islamitische studenten leiden tot het verlaten van de geloofsgemeenschap, tot assimilatie met de seculiere omgeving of tot een andere invulling van het geloof dan die van de ouders. Sommige ouders ervaren dat begrijpelijkerwijze als een teleurstelling, maar het is nu eenmaal niet anders in een vrije samenleving.

Als tegenwicht tegen de druk van de reborns en hun geestverwanten zouden instellingen van hoger onderwijs voor alle studenten en medewerkers vaker en systematischer publicisten moeten uitnodigen uit het bonte gezelschap van Fouad Laroui, Hafid Bouazza, Abdelkader Benali, Afshin Ellian, Yasmine Allas, Ayaan Hirsi Ali, Nazmiye Oral en Naima El Bezaz. Niet als outsiders, maar als verstrekkers van informatie. Hierdoor krijgen moslimjongeren de gelegenheid om ook met liberale en zelfs afvallige moslims kennis te maken.

Schaf voorts de speciale faciliteiten voor moslimstudenten af. Die geven immers een verkeerd signaal. Religieuze uitingen, op welke manier dan ook, dienen zich buiten het onderwijsdomein te bewegen. Disciplines als Arabisch en islamologie behoren onder de tucht van puur wetenschappelijke criteria te vallen, waarbij religie object is en geen subject.

En behandel deze studenten als individuen.

August Hans den Boef is werkzaam bij de Hogeschool van Amsterdam en auteur van `Nederland seculier! Tegen religieuze privileges in wetten, regels, praktijken, gewoonten en attitudes'.