Rijken in Spanje dragen Emilio Botín op handen

De Spaanse justitie heeft een van de machtigste financiële mannen van het land voor de rechter gedaagd. Bankier Emilio Botín bouwt inmiddels rustig verder aan zijn imperium.

Emilio Botín, bestuursvoorzitter van Spanjes grootbank Santander Central Hispano (SCH), zal zich voor de rechter moeten verantwoorden wegens grootschalige belastingfraude. De vervolging is gisteren bekendgemaakt door onderzoeksrechter Teresa Palacios. De vervolging van Botín komt juist op het moment dat SCH bezig is met het afronden van het bod van 13 miljard euro op de Britse bank Abbey National. Voor Botín en drie andere voormalige bankiers is een totale borgsom van 68 miljoen euro vastgesteld.

De rechtszaak tegen Botín heeft in Spanje tot de nodige opschudding geleid. Emilio Botín geldt als een van de machtigste mannen in financieel-economische kring. Hij bouwde zijn Banco Santander door overnames uit tot Spanjes grootste financiële entiteit, waarbij het karakter van een familiebank voor een belangrijk deel behouden bleef. Botín geldt daarbij als een autocratisch bankier, die de leiding binnen de Santander Groep waar de SCH toe behoort, stevig in handen houdt. De huidige rechtszaak achtervolgt Botín al jaren met de volhardende traagheid die vaak kenmerkend is voor het Spaanse juridische systeem. De kwestie draait rond een speciaal soort kredietdeposito's die in de periode 1987-1991 aan de man werden gebracht. Dit financiële product was vooral aantrekkelijk voor het uitzetten van zwart geld, omdat niet de in Spanje gebruikelijke bronbelasting over de ontvangen rente werd ingehouden. De kredieten waren vooral een groot succes onder de vermogende klanten: de bank zou er zeker 2,4 miljard euro van verkocht hebben. Volgens de fiscus was het evenwel pure belastingfraude die de schatkist zo'n 43 miljoen euro zou hebben gekost.

Het leek er lang op of Botín was er in geslaagd de zaak min of meer in de kiem te smoren. De huidige rechtszaak is aangekaart door een consumentenorganisatie die in het Spaanse recht als belanghebbende partij een aanklacht kan indienen. Een woordvoerder van de organisatie hekelde het feit dat onder de conservatieve regering Aznar de rechtszaak tegen Botín in de doofpot dreigde te belanden. Openbaar aanklager Eduardo Fungairiño, die onder de conservatieve regering een invloedrijke post op Justitie kreeg, tekende beroep aan tegen de vervolging. Ook de belastingdienst verklaarde dat er sprake was van fraude. Onderzoeksrechter Palacio bleef echter vasthouden dat de zaak vervolgd diende te worden. Zij kreeg uiteindelijk gelijk, zodat Botín zich samen met drie andere toplieden uit zijn bank moet verantwoorden voor vier gevallen van valsheid in geschrifte en dertig gevallen van fiscale fraude van in totaal 85 miljoen euro. Daarnaast moet een dertigtal klanten van de bank zich wegens belastingontduiking verantwoorden.

Het is nog niet duidelijk wanneer de zaak ter zitting komt, maar de aanklacht is een ernstige deuk in het prestige van Botín, een man die erom bekendstaat dat hij niet graag wordt tegengewerkt. Eerder moest de financiële topman zich verweren tegen de beschuldiging van exorbitante gouden handdrukken die werden uitgedeeld aan José María Amusátegui en Ángel Corcóstegui. Beide topbankiers werden lastig nadat hun bank binnen de SCH was opgegaan. Ze werden door Botín met vervroegd pensioen gestuurd voor respectievelijk 56 en 108 miljoen euro. De behandelende officier van justitie zag hierin evenwel geen strafrechtelijk delict. Dat ligt anders met de fraudezaak die nu voor de rechter komt. In financiële kringen circuleert al langer het gerucht dat Botín danig bezorgd is over de rechtszaak.