Pensioenen onder druk

In de tweede helft van de vorige eeuw kroop onze verzorgingsstaat uit het ei. Boegbeeld was de in 1957 tot stand gebrachte AOW. Voortaan was iedereen van 65 jaar en ouder van een staatspensioen verzekerd. Voor de AOW-uitkeringen was voordien nooit geld opzij gelegd. Daarom werden de kosten van deze volksverzekering jaarlijks omgeslagen over alle Nederlanders jonger dan 65 jaar. Dat leek destijds geen enkel probleem. De bevolking groeide als kool en van het groeiende inkomen per hoofd kon betrekkelijk eenvoudig een stuk opzij worden gezet voor de generaties die de crisis van de jaren dertig en de daaropvolgende wereldoorlog aan de lijve hadden meegemaakt. In de loop van de jaren zestig en zeventig kreeg het overgrote deel van de werknemers naast de AOW aanspraak op een aanvullend pensioen. Het wenkend ideaal was een totaal pensioeninkomen (AOW plus aanvullend pensioen) gelijk aan 70 procent van het laatstverdiende salaris. Hiertoe dienden werknemers en vooral hun werkgever veertig jaar lang premies af te dragen aan een pensioenfonds. Voor het aanvullend pensioen werd dus gespaard (kapitaaldekking). Vervolgens kwamen in de jaren tachtig in rap tempo regelingen van de grond die het voor werknemers mogelijk maakten vervroegd uit te treden.

Daarvoor was nooit gespaard.

De kosten van VUT-regelingen werden, net zoals de lasten van de AOW, via premies omgeslagen over mensen die nog werkten.

Dit fraai opgetuigde pensioengebouw kraakt nu in zijn voegen. Het economische draagvlak voor de omslagpremies brokkelt af door de vergrijzing van de bevolking. In verhouding steeds minder jongeren moeten de lasten van AOW en VUT-regelingen dragen.

Daardoor dreigen de premies torenhoog op te lopen. De afgelopen jaren is de VUT-gerechtigde leeftijd verhoogd. Verder wil het kabinet de fiscale aftrek van de VUT-premie beëindigen. Het doel is dat iedereen weer doorwerkt

totdat hij 65 jaar wordt, tenzij hij zelf voldoende heeft gespaard om het

arbeidsproces eerder te kunnen verlaten.

Ook de dagen van de AOW zoals wij die kennen lijken geteld. Na 1957 is het basispensioen in slechts zeventien jaar tijd opgetrokken tot de hoogte van het wettelijk minimumloon. Daarna, zo was de bedoeling, zou de uitkering meegroeien met de CAO-lonen. Al snel bleek deze koppeling economisch niet houdbaar te zijn. Het grootste deel van de jaren tachtig was de uitkering ontkoppeld. Bij latere recessies en daardoor noodzakelijke bezuinigingen op de collectieve uitgaven was het van hetzelfde laken een pak. Ook dit jaar blijft de AOW-uitkering weer bevroren. Ondanks zulke ingrepen dreigde de AOW-premie steeds verder op te lopen. Daarom is zij in 1997 gemaximeerd, terwijl de kosten van de uitkeringen bleven stijgen. Hierdoor ontstond een steeds groter gat in het Algemeen Ouderdomsfonds. Dreigende tekorten van het fonds zijn sindsdien aangezuiverd door een toenemende rijksbijdrage uit de schatkist. Maar dat houdt een keer op. In de twee weken geleden verschenen miljoenennota gooit de regering een voor de hand liggend balletje op. Zij bespiegelt daar over geleidelijke verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd tot 67 jaar. In het parlement leidde deze gedachteoefening tot voorspelbare schrikreacties. De vergrijzing maakt verhoging van de AOW-leeftijd echter onontkoombaar.

De demografische ontwikkeling zet ook de kapitaalgedekte aanvullende pensioenen onder druk. Hoewel de

pensioenfondsen voor hun deelnemers inmiddels een kapitaal van 440 miljard euro beheren, is dat spaarvarken niet dik genoeg. Dat zal blijken vanaf 2006, wanneer de beheerders van de fondsen hun verplichtingen op een meer

realistische manier moeten gaan

waarderen. Uitgaande van een pensioen dat in de toekomst meestijgt met de

inflatie (geschat op 2 procent per jaar) en een beleggingsopbrengst die gelijk

is aan de rente op staatsobligaties, zijn de toekomstige verplichtingen van

de pensioenfondsen op dit moment slechts voor ongeveer vier vijfde

gedekt. Anders gezegd, de fondsen staan bijna voor 100 miljard euro in het rood.

De bestuurders van de pensioenfondsen staan voor een lastige keuze. Om aanspraken en belegd vermogen in evenwicht te brengen kunnen zij besluiten de premies verder te verhogen. Dit leidt echter tot hogere arbeidskosten, die de nationale concurrentiepositie ondergraven. Het alternatief is de pensioenuitkeringen te laten achterblijven bij de inflatie. Recent heeft een aantal fondsen de indexatie van lopende pensioenen daadwerkelijk beperkt, om tegenvallers goed te maken waarmee zij zijn geconfronteerd na de aandelencrash van 2001. Dat kwam als een grote schok voor gepensioneerden die er altijd van waren uitgegaan dat de koopkracht van hun pensioen werd gegarandeerd.

Deskundigen waarschuwen al twintig jaar voor de diepingrijpende gevolgen van de vergrijzing voor het stelsel van sociale zekerheid en de overheidsfinanciën. Het moet uit de lengte of de breedte komen. Handhaving van bestaande aanspraken zadelt werkenden op met op den duur ondraaglijke lasten. Aanpassing van hoogte en duur van de uitkeringen is dan onvermijdelijk. Dat geldt zowel voor de AOW als voor de aanvullende pensioenen. Het kabinet draagt die boodschap onvoldoende uit. De kater komt later, maar eerder dan de meeste mensen denken.