Rechtszaak dreigt Bounty-eiland te ontvolken

Maakten de mannelijke bewoners van de Pitcairn-eilanden zich schuldig aan seksueel misbruik of is er sprake van traditionele ontmaagding?

Toen kapitein Carteret op 3 juli 1767 in een uithoek van de Stille Zuidzee een rotspunt ontdekte, maakte hij een historische blunder. Nadat de 15-jarige zeecadet Robert Pitcairn het eiland aan de horizon ontwaarde, plaatste Carteret het direct op de kaart. Echter, 188 zeemijlen westelijk van zijn ware locatie. Daardoor werd het in 1790 de ideale schuilplaats voor de legendarische muiters van de Bounty.

Ruim twee eeuwen later staan zeven van hun nakomelingen, ruim de helft van de mannelijke beroepsbevolking, terecht wegens 96 aanklachten van seksueel misbruik. Een van hen is de burgemeester op het eiland. Het massaproces, dat vorige week maandag begon, dreigt de rotspunt opnieuw onbewoond te maken en is een nieuwe slag in de strijd tussen muiters en Britse kroon.

Nog voor de komst van de muiters probeerde Kapitein Cook Pitcairn terug te vinden. Zelfs deze beroemde zeevaarder trof het eiland, gelegen in het zuidoosten van de Stille Oceaan, tussen Frans Polynesië en Chili, niet aan.

De muiters, die in 1789 hun beruchte kapitein Bligh en achttien aan hem loyale matrozen op volle zee overboord zetten, waren bang dat hun rebellie niet ongestraft zou blijven. Een deel van de muiters besloot om Carterets navigatiefout in hun voordeel te keren. Eerst voeren ze naar Tahiti om vanuit daar samen met zes Polynesische mannen, twaalf vrouwen en een baby op zoek te gaan naar het onvindbare Pitcairn.

De muiters vonden de rotspunt van zes vierkante kilometer redelijk snel. Het overtrof hun stoutse verwachtingen: het was onbewoond, ontoegankelijk, had een aangenaam klimaat en de vulkanische grond was vruchtbaar.

Pas in 1814 werden de Pitcairners ontdekt door de Britse marine. Van de eerste 27 bewoners waren toen nog één muiter, vier vrouwen en enkele nakomelingen over. Ziekte, zelfmoord en onderling geweld hadden hun tol geëist. Twee eeuwen later wonen in `hoofdstad' Adamstown, de enige nederzetting op Pitcairn, 47 mensen. De lokale economie draait op visserij, fruitteelt en de verkoop van postzegels en internetadressen.

Een Britse agente op Pitcairn ontdekte in 1999 dat het Bounty-eiland niet zo idyllisch was als het leek. Een dertienjarig meisje bleek zwanger en zou door vijf mannen zijn misbruikt. Er kwam een onderzoek en bekentenissen door andere meisjes volgden.

Een deel van de eilanders verzette zich vanaf het begin tegen de Britse inmenging. Die verloopt via Nieuw Zeeland, waar gouverneur Richard Fell namens de Britse koningin over de minikolonie regeert. In juni betoogden de Pitcairners voor een speciaal voor hen geïnstalleerd Hooggerechtshof in Nieuw Zeeland dat hun voorvaders door te muiten hoogverraad pleegden. ,,Daarmee kwam een einde aan hun trouw aan Groot-Brittannië. Ze gingen naar Pitcairn om daar aan het Britse rechtssysteem te ontsnappen'', aldus hun advocaat. Het hof gaf hun geen gelijk: het Britse rechtssysteem is van kracht. Mochten de Nieuw-Zeelandse rechters op Pitcairn tot een veroordeling komen, dan bestaat de kans dat alle bewoners hun toevluchtsoord moeten verlaten. Als de zeven mannen opgesloten worden, ontbeert de rest van de bevolking de spierkracht om het eiland te bevoorraden, menen sommige bewoners. Vracht moet met de hand aan land gebracht worden, omdat Pitcairn geen kade heeft en geen vliegveld kent.

Tijdens de eerste rechtszaken schetste de aanklager een beeld van eilanders die het normaal vinden dat meisjes door oudere mannen worden ontmaagd. De Pitcairners, ruim een eeuw geleden bekeerd tot het streng christelijke geloof van de Zevende Dag Adventisten, ontkennen dit niet, maar beschouwen de Britse zedenwet als cultureel imperialisme.

Ze zeggen dat zij hun eigen rechtssysteem hebben, in een grondwet, aangenomen in 1838. Deze is sindsdien in honderden gevallen gebruikt om recht te spreken op het eiland en ligt vast in een wetboek dat in het eilandbureau wordt bewaard. Ze menen dat de mannen volgens deze grondwet en niet de Britse zedenwet uit 1956 berecht moeten worden.

Vorige week gaven enkele vrouwen een persconferentie waarin ze betoogden dat de ontmaagdingen vrijwillig gebeurden. Maar er zijn ook eilanders die de praktijk van verkrachting niet als waardevolle traditie koesteren. Zij verhuisden naar Nieuw Zeeland en Australië, vanwaar ze via een videotelefoonlijn getuigenissen afleggen.

Maandag bekende de eerste beklaagde, de postbode van het eiland, schuld. Een Britse rechercheur zei tegen persbureau Associated Press te hopen dat deze bekentenis het begin inluidt van ,,enige acceptatie van de gebeurtenissen''. De eerste twee verdachten pleitten onschuldig.

De laatste mogelijkheid voor de eilanders om de rechtszaak aan te vechten is een klacht voor de Privy Council in Londen. Deze adviesraad van koningin Elizabeth II kan de uitspraak van het Hof in Nieuw Zeeland ongedaan maken. Dat lijkt onwaarschijnlijk. ,,Je vraagt de Privy Council, in de stuiptrekkingen van het Britse Rijk, om een koloniale wet af te schaffen die altijd heeft gegolden'', aldus een Nieuw-Zeelandse rechter tegen de Britse krant The Guardian.