Ontwikkelingshulp faalt door onkunde

Het Nederlandse ontwikkelingsbeleid inzake Afrika zal gedoemd blijven te falen zolang onduidelijk blijft welke vruchten de inspanningen van ontwikkelingswerkers hebben afgeworpen, meent Jan-Bart Gewald.

`Probeer Afrika te begrijpen' was, terecht, de teneur van het artikel van Richard Dowden (Opinie & Debat, 2oktober). Alle zogenaamde reddingspogingen ten spijt, blijft het continent `gedoemd' wanneer het niet begrepen wordt. Maar er is meer: als we Afrika willen begrijpen, moeten we niet alleen Afrika bestuderen, maar ook onze activiteiten daar. Gebrek aan historisch inzicht bestaat niet alleen wat betreft Afrika, maar ook voor wat betreft de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking aldaar. Nederlandse professionals die werkzaam zijn bij de ambassades of uitgezonden worden in het kader van Nederlandse programma's, hebben vaak geen benul van de activiteiten en projecten van hun voorgangers. Dit gebrek aan `institutioneel geheugen' wordt het beste geïllustreerd aan de hand van de geschiedenis van de Inspectiedienst Ontwikkelingssamenwerking te Velde/Inspectiedienst Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOV/IOB) van de Nederlands overheid die vorig jaar zijn 25 jarig bestaan vierde. De IOV/IOB werd in 1978 door de toenmalige minister Pronk van Ontwikkelingssamenwerking opgericht om, naar voorbeeld van de Algemene Rekenkamer, erop toe te zien dat Nederlandse ontwikkelingsgelden correct besteed werden en om de Tweede Kamer in staat te stellen om waar nodig beleid bij te sturen.

Het omgekeerde bleek: beleidsmakers waren niet geïnteresseerd in de inhoud en bevindingen van de IOV/IOB om Nederlands ontwikkelingsbeleid bij te sturen of aan te passen. Daarentegen waren zij zelden te beroerd om korte metten te maken met politieke tegenstanders. Dus, in plaats dat fouten en misrekeningen uit het verleden te harte werden genomen, werden de bevindingen van de IOV/IOB gebruikt om politieke doelstellingen in Nederland zelf te bereiken. Zo kan het gebeuren dat activiteiten keer op keer onder steeds veranderende noemers en beweegredenen worden uitgevoerd in het kader van Nederlandse ontwikkelingssamenwerking, zonder dat enig resultaat wordt geboekt. De benamingen van Nederlandse activiteiten veranderen door de jaren heen, pro-poor growth, poverty alleviation, sustainable development, gender sensitivity, ownership en wat nog meer, maar zonder dat daadwerkelijk een poging word ondernomen om te leren uit het verleden en fouten te voorkomen.

De reden voor al dit `fraais' is ten dele gelegen in het feit dat binnen de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking weinig oog is voor geschiedenis, laat staan voor de geschiedenis van Afrika, behalve dan op een zeer oppervlakkige manier die stelt dat de koloniale periode wreed was en dat we daar nu gelukkig van af zijn.

Nederland heeft sinds de 16de eeuw een band met Afrika. Nederlandse handelaren en kooplieden waren actief vanaf de West-Afrikaanse kust tot en de Golf van Aden. Nederlandse archieven, van onder meer de Middelburgsche Commercie Compagnie, de West-Indische Compagnie en de Verenigde Oost-Indische Compagnie, bevatten een schat aan materiaal. Het is jammer dat dit zo weinig wordt geraadpleegd om een beter begrip te krijgen van Afrika. In Nederland maakt alleen het Instituut voor de geschiedenis van de Europese expansie van de Universiteit Leiden gebruik van deze bronnen, maar altijd vanuit Europees gezichtspunt, en niet zozeer om Afrika beter te leren begrijpen.

Maar als we Afrika echt willen begrijpen, moet meer gedaan worden aan historisch onderzoek en onderwijs betreffende Afrika zelf. En als we willen begrijpen waarom de hulp in het verleden niet heeft gewerkt, moet worden onderzocht wat uitgezonden Nederlanders eigenlijk deden toen ze in Afrika waren. Daartoe heeft Nederland ruime mogelijkheden. Behalve de bovengenoemde archieven zijn er ook talrijke archieven in Nederland van naar Afrika uitgezonden zendelingen en missionarissen. Voorts zijn er de archieven van de vele, vaak seculiere, instanties die vooral in de jaren '70 mensen uitzonden naar Afrika, zoals de toenmalige Stichting Nederlandse Vrijwilligers (SNV).

Na veertig jaar van gemotiveerde en vaak zeer emotionele inzet van deze stichting, met Nederlands overheidsgelden, bestaan geen goed onderbouwde historische studies van haar activiteiten in Afrika. Er bestaan wel een paar gedenkboekjes van de SNV in verscheidene landen, maar over de eventuele vruchten van de arbeid van uitgezonden vrijwilligers verkeren we nog steeds in het ongewisse.

Dr. Jan-Bart Gewald is senior onderzoeker bij het Afrika Studie Centrum in Leiden. Hij groeide op in Midden- en Zuidelijk-Afrika.