De lange en de korte films van Béla Tarr

De Hongaarse regisseur Béla Tarr kan de paradoxen van het menselijk bestaan in één beeld vangen. Al zijn werk is nu in Nederland te zien.

Het kunnen zien van het gehele oeuvre van een filmmaker kan soms verrassende dingen opleveren, waardoor je genoodzaakt bent het beeld van zijn werk bij te stellen. De kans is groot dat dit gebeurt bij het zien van meerdere films van de Hongaarse regisseur Béla Tarr. In Nederland werden zijn films tot nu toe maar sporadisch uitgebracht. De eerste film die regulier in de bioscopen draaide, was Damnation in 1989. Daarna maakte hij faam met het ruim zeven uur durende Sátántangó, maar die film werd slechts tijdelijk geïmporteerd. Zijn laatste film is het onheilszwangere Werckmeister harmóniák, dat twee jaar geleden een plekje in de filmhuizen kreeg.

Op basis van deze films roept de naam Tarr een bepaald beeld op, van sombere, trage, adembenemende beeldcomposities in zwart-wit die tergend lang aanhouden. De een ergert zich mateloos aan de zeer langzame camerabewegingen of de nauwelijks expressieve speelstijl van zijn acteurs, de ander roemt juist de daaruitvolgende sfeer. Maar Tarr blijkt ook een aantal korte films in kleur gemaakt te hebben, die bijvoorbeeld lyrisch de natuur evoceren, en verfilmde Macbeth. In première gaat nu de korte film Prologue, waarvoor Robbie Müller het camerawerk deed.

Tarrs cinema behoort tot een bepaald soort Europese auteurfilm, werk met een duidelijke handtekening van de regisseur. Bij Tarr valt op dat hij graag de bijbel citeert of bijbelse thema's als de naderende apocalyps een hedendaagse invulling geeft. Zijn mensbeeld stemt niet vrolijk. Mensen drinken hun ongeluk weg in troosteloze bars en zijn niet in staat tot diep menselijke contacten. En iedereen houdt er zo zijn eigen verborgen agenda op na.

Het duidelijkst komt dit naar voren in een film die tot nu toe niet in Nederland te zien is geweest: Herfstalmanak uit 1984. Als de eerste verbazing is weggeëbd dat deze film in kleur is, en je min of meer gewend bent aan de bewust theatrale stijl in acteren en belichting valt op hoe het naargeestige beeld dat uit Herfstalmanak oprijst zijn latere werk weerspiegelt. Het Kammerspiel verwijst letterlijk naar Ingmar Bergmans Herfstsonate (1978) en draait om een aantal personages in een groot herenhuis. De eigenaresse beschikt over een som geld, wat voor de inwonenden - zoon, vriend en minnares - reden is haar vriendelijk te bejegenen. Toch is hun gedrag niet louter gebaseerd op eigenbelang. Tarr biedt een klein sprankje hoop. De mens zit vol contrasten en paradoxen. Het ene moment schelden ze elkaar de huid vol of worden ze agressief, het andere moment naait de minnares in een mooie, tedere scène een knoop aan de jas van een nieuwe bewoner. Hoewel het scenario van Herfstalmanak puur theater is, maakt Tarr er, door zijn mise-en-scène en camerastandpunten en -bewegingen, pure cinema van. De camera kruipt naar de karakters toe, glijdt langs ze heen, draait rond hen maar vangt nooit hun ware aard. Die wordt zo voor de toeschouwer even onduidbaar als voor de personages zelf. In één shot plaats Tarr de camera zelfs onder een glazen plaat om een ruziënd stel te filmen van wie de een de ander met zijn gezicht op de vloer (de glasplaat) duwt. Eerder had Tarr al vanaf een hoog standpunt het scheren van de nieuwe huisbewoner door de vriend gefilmd: een shot dat zowel dreigend als intiem is. Opnieuw de paradox van het menselijk bestaan in één kader gevangen.

Met dit retrospectief, dat onderdeel uitmaakt van het grootschalige culturele evenement `Hongarije aan Zee' (dat de toetreding van Hongarije in de Europese Unie viert), blijkt dat Béla Tarr meer maakt dan zwartgallige zwart-witfilms. Hoewel bij alles wat hij doet de gedachte aan sterfelijkheid op de loer ligt.

Retrospectief Béla Tarr. 7 oktober t/m 3 november. In: Filmmuseum, Amsterdam; 't Hoogt, Utrecht; Plaza Futura, Eindhoven; Haags Filmhuis.