Brief voor de koning

Het eerste dat telkens weer opvalt aan De brief voor de koning zijn de landkaarten aan de binnenkant van het omslag. Daarop heeft schrijfster Tonke Dragt de verzonnen rijken van Unauwen en Dagonaut getekend, met bergen, rivieren, bossen, wegen en steden. En dan luidt de eerste zin van de inleiding ook nog: ,,Dit is een verhaal van lang geleden, toen er nog ridders waren.'' Alles aan dit boek van bijna 450 bladzijden lijkt te zeggen: dit een avonturenroman.

Het is een boek over volwassen worden, zei Tonke Dragt bij de toekenning van de Griffel der griffels. Dat klopt ook, maar dat thema is gegoten in tal van avonturen vol rovers, verraders, dappere ridders, trouwe vrienden en edele koningen. En zo goed geschreven dat ze 42 jaar na verschijning nog steeds bloedspannend zijn.

De sleutelscène zit aan het begin van het boek als de 16-jarige Tiuri met andere schildknapen 's nachts waakt in een kapel. De volgende ochtend zullen zij tot ridder worden geslagen, maar tot dan mogen ze niet spreken, niet weggaan en niet slapen. Dan verschijnt een onbekende aan het raam, die Tiuri vraagt om een zeer belangrijke brief aan de koning te brengen. Hij doet het, hoewel dit hem het ridderschap zal kosten.

Deze keuze, die Tiuri zelf moet maken, is het begin van zijn volwassenwording en van een lange tocht. Tijdens de tocht leert hij wat vriendschap is, dat je de gevolgen van je handelen moet accepteren en vooral dat je zelf verantwoordelijk bent voor je leven. Zo weigert de koning aanvankelijk Tiuri tot ridder te slaan met de verklaring: ,,Je hebt jezelf geridderd, Tiuri.''