Over de zin en onzin van boekverfilming

Het tijdschrift Literatuur is begonnen als een tijdschrift van Neerlandici voor Neerlandici, en voor anderen. Vroeger hadden de stukken erin daardoor nogal eens een wat scriptie-achtig karakter, later werd dat minder. De laatste jaren is er veel aan het blad veranderd, zowel visueel als inhoudelijk. Die veranderingen leken eerst vooral oppervlakkigheid tot gevolg te hebben, en hoewel moeilijk vol te houden is dat het nu een en al diepzinnigheid is wat er in het blad te vinden is, moet toch gezegd worden dat in ieder geval het laatste nummer wel stevig in elkaar zit. Het `dossier', een vast onderdeel van het tijdschrift, is ditmaal gewijd aan boekverfilmingen, een onderwerp dat eerder afgezaagd dan origineel is en waarvan men dus niet bij voorbaat veel verwacht. Des te verrassender en aardiger is de inhoud van het dossier.

Behalve aan de bij dit onderwerp nu eenmaal onvermijdelijke Leon de Winter wordt er aandacht besteed aan Johan Daisne en de film – wat alleen al de moeite waard is omdat überhaupt nooit meer iemand het over Daisne heeft. Verder is het stuk helaas niet echt briljant. Boeiender is het stuk van Johan Koppenol over Willem Bon, leerling en manusje van alles van Ivens en een van de pioniers van de Nederlandse film. Bon kocht bij Ivens, of eigenlijk bij de firma Capi: C.A.P. Ivens, een cameraatje en zo begon het. Hij schreef ook scenario's, onder meer voor een verfilming van De Kleine Johannes van Frederik van Eeden. Een verrassende keus, maar nog verrassender is dat er al eerder een scenario naar dat boek gemaakt is, zoals Lisa Kuitert in een klein kadertje bij Koppenols stuk uit de doeken doet. Verder lezen we een enigszins kinderachtig scenario voor de verfilming van Karel ende Elegast – toch een goed idee. Waarom altijd maar koning Arthur?

In een algemeen stuk over het verfilmen van boeken maakt Sasja Koetsier duidelijk dat het nog niet zo evident is wat een ,,filmisch'' geschreven boek is, dat een scenario naar een roman niet per se heel gemakkelijk is en dat er onenigheid bestaat tussen scenaristen en publiek over de zelfstandigheid van de film ten opzichte van het boek. Het bekendste geval is de film naar Het bittere kruid van Marga Minco, waarin de scenarist het een goed idee had gevonden om de hoofdpersoon verliefd te laten worden op een NSB-er. Marga Minco protesteerde en wilde haar titel niet aan een dergelijke film verbonden zien. Ze kreeg ongelijk van de rechter, maar, zoals Koetsier schrijft ,,het publiek had er inmiddels geen vertrouwen meer in'' en de film flopte. Lang leve het publiek, zou je voor de verandering willen zeggen.

Wat aangenaam opvalt in Literatuur, is de vanzelfsprekende kennis die de auteurs van de Nederlandse literatuur hebben, en dan niet alleen van de allernieuwste. Of misschien valt dan op dat je zo weinig leest over zelfs maar enigszins historische Nederlandse literatuur, alsof die niet bestaat of melaats is. In ieder geval is het warme pleidooi van Joost van Driel voor een goede wetenschappelijke Nederlandse editie van de Middelnederlandse Arthurromans – geweldige verhalen in verrukkelijke taal, die nu allemaal in het Engels heel prachtig worden uitgegeven, maar niet in het Nederlands - heel overtuigend en terecht. Hopelijk lezen voldoende mensen Literatuur om dit gevolgen te laten hebben.

Literatuur nr. 6 - 2004. Uitg.Amsterdam University Press. Prijs €6.