Inzicht achteraf

Komen het inzicht en de wijsheid achteraf, ook bij de Amerikanen die het in Irak voor het zeggen hebben (gehad)? Donald Rumsfeld, de Amerikaanse minister van Defensie, zei gisteren in New York, kennelijk in een bui van openhartigheid, dat er geen hard bewijs is van een band tussen de Iraakse oud-dictator Saddam Hussein en Osama bin Laden, de leider van het terreurnetwerk Al-Qaeda. Eerder had de bewindsman het tegendeel beweerd. Ook anderen in het Witte Huis, vice-president Dick Cheney bijvoorbeeld, hebben altijd volgehouden dat Saddam onderdak bood aan Al-Qaeda-terroristen. Rumsfelds partijgenoot Paul Bremer, tot afgelopen zomer de hoogste Amerikaanse civiele bestuurder in Irak, bekritiseerde gisteren het feit dat er nooit genoeg Amerikaanse grondtroepen in Irak zijn geweest. De geringe slagkracht en het onvermogen van de Verenigde Staten om het geweld in het naoorlogse Irak te stoppen hebben volgens Bremer ,,een atmosfeer van wetteloosheid'' geschapen. Beiden hebben hun opmerkingen na vragen van de media inmiddels genuanceerd of ontkend, maar hun aanvankelijke openheid geeft toch te denken.

De veronderstelde band tussen Saddam en Al-Qaeda, voor Washington een van de redenen om Irak binnen te vallen, is nooit bewezen. Rumsfelds late inzichten hierover bieden een onthullend inkijkje in de Amerikaanse oorlogspolitiek. Steeds meer `bewijzen' van acute gevaren, zoals de aanwezigheid van massavernietigingswapens, vallen weg. Steeds twijfelachtiger (eveneens achteraf) begint de noodzaak van de invasie te worden. En steeds duidelijker wordt het dat de Amerikaanse aanpak van 's lands wederopbouw na de inname van Bagdad in april 2003 de huidige wanorde in de hand heeft gewerkt. Te weinig troepen, toenemend geweld, wetteloosheid – dat is de cumulatieve reeks ellende die Bremer schetst. Een terreur van aanslagen, moordpartijen en duurbetaalde gijzelingen, kortom chaos en anarchie – dat is de toestand in delen van Irak in het najaar van 2004. Na de zoveelste uitbarsting van geweld schreef de correspondent in Bagdad van de Amerikaanse Wall Street Journal dezer dagen in een `e-mail aan vrienden' die op het internet circuleert (maar niet in haar krant is gepubliceerd) dat de situatie in Irak neerkomt op ,,een voortrazende barbaarse guerrillaoorlog''. Het bewijs ervan werd de afgelopen dagen weer geleverd: tientallen mensen stierven bij aanslagen en moorden in Bagdad en elders.

Een land werd van zijn dictator verlost. Irak en de wereld zijn daarvoor de Amerikanen dank verschuldigd. Maar dit heeft te lang de kritiek gesmoord op het kortzichtige beleid van Washington in het post-Saddam-tijdperk. Van een wederopbouw in letterlijke zin is nauwelijks sprake, van democratie evenmin en van veiligheid allerminst. De bevolking heeft haar onvrijheid (onder Saddam) ingeruild voor onveiligheid nu. Ze zou zo haar vrijheid willen opgeven voor veiligheid, aldus de eerder aangehaalde correspondent. Dat laatste is aanvechtbaar, maar de redeneertrant is wel te volgen. Een gemeenschap die dagelijks geconfronteerd wordt met zoveel geweld wil vóór alles rust en orde.

De kritiek op het Irak-beleid van Bush, nu dus ook uit eigen nest, kan de gedane zaken niet keren. Het is doorgaan; voor Irak, voor Amerika en voor zijn coalitiepartners – maar niet op de ingeslagen weg. De kritiek markeert een belangrijk moment. Vanuit een openlijke onderkenning van de problemen en een realistische inschatting van de situatie kan een nieuwe strategie worden ontwikkeld. Het is laat, maar niet te laat.