Het draait niet alleen om VUT en prepensioen

In de huidige storm over het kabinetsbeleid gaat de aandacht vooral uit naar regelingen voor VUT en prepensioen. Zo blijven verschillende inconsequente aspecten van het kabinetsbeleid voor het onderwijs jammer genoeg onderbelicht. Deze inconsequenties zijn belangrijk, omdat zij een gebrek aan visie van het kabinet blootleggen.

De basis van alle problemen ligt in het eenzijdig beschouwen van goede eigenschappen van andere verzorgingsstaten, zonder tegelijkertijd oog te hebben voor andere institutionele kenmerken van deze landen. Uit de laatste troonrede blijkt dat het kabinet streeft naar het Scandinavische model van de welvaartsstaat. Hierbij richt het zich met name op de flexibiliteit van de arbeidsmarkt.

Het Deense model is hierbij het lichtend voorbeeld, zoals de sociologen Gösta Esping-Andersen en Anton Hemerijck al in deze krant opmerkten (27 februari en 16 april). Het Deense model heeft aantrekkelijke kanten: een flexibele arbeidsmarkt, gecombineerd met een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid en omvangrijke kinderopvang. Onzekerheid op de arbeidsmarkt als gevolg van de flexibele arbeidsmarkt is voor werknemers minder erg, zo luidt de redenering, omdat de sociale zekerheid de levensstandaard op peil houdt bij mogelijke werkloosheid. Echter, het Nederlandse kabinetsbeleid pleit in grote mate voor flexibiliteit, maar geeft wat betreft de (duur van de) sociale zekerheid, en met name bij de kinderopvang, niet thuis.

Wat betekent een flexibele arbeidsmarkt voor individuele investeringen in kennis en vaardigheden van studenten en de beroepsbevolking? Zowel theoretisch als empirisch is aangetoond dat een flexibele arbeidsmarkt ertoe leidt dat men minder in beroeps- of bedrijfstakspecifieke, maar juist meer in algemene vaardigheden wil investeren. Immers, algemene vaardigheden zijn toepasbaar in meerdere bedrijfstakken, zodat men bij ontslag elders aan de slag kan.

Maar wíllen we in Nederland wel dat men meer algemene, en minder beroepsspecifieke vaardigheden verwerft? Aspecten van het overheidsbeleid lijken hierop te wijzen, met name als het gaat om de `veralgemenisering' van het vmbo. Maar tegelijkertijd is het (middelbaar en hoger) beroepsonderwijs een belangrijke pijler van het Nederlandse onderwijsstelsel. Als we door institutionele veranderingen bewerkstelligen dat men meer in algemene vaardigheden investeert, zijn daaraan belangrijke nadelen verbonden.

Ten eerste zullen sterk beroepsgerichte opleidingen minder aantrekkelijk worden. Het gebrek aan technici en ingenieurs zal dan niet snel verholpen zijn. Algemene studies zoals allerlei managementopleidingen zullen in populariteit winnen. Dit lijkt niet in het belang van de kenniseconomie die Nederland wil worden.

Ten tweede zal een veralgemenisering van het onderwijs ertoe leiden dat het gemiddelde opleidingsniveau toeneemt. Hoewel dit een belangrijk streven is van het kabinet, kleven er ook nadelen aan een al te grote onderwijsexpansie. Als de onderwijsexpansie sneller gaat dan de verandering van de beroepenstructuur, zullen diploma's in waarde dalen. Men zal gedwongen zijn om banen onder zijn niveau te accepteren, wat belangrijke implicaties heeft voor de arbeidstevredenheid en -motivatie. Een recente studie van de Duitse socioloog Markus Gangl heeft aangetoond dat een uitgebreider stelsel van sociale zekerheid er inderdaad toe leidt dat men in Duitsland langer werkzoekend is, maar betere banen vindt na werkloos te zijn geweest dan in de Verenigde Staten.

Voor Nederland betekent dit dat we de duur van de werkloosheidsuitkering niet moeten inkorten, omdat dit de kwaliteit van werk positief beïnvloedt. Dit is niet alleen goed voor mensen die deze banen vinden, maar ook voor de economie.

Ten derde veronachtzaamt het de functie van het beroepsonderwijs als kanaal van opwaartse sociale mobiliteit voor kinderen uit lagere sociale milieus. Beroepsonderwijs functioneert voor hen niet als een doodlopende straat, maar veeleer als een reddingsboei. Ook al heeft het kabinet afgedaan met het streven naar gelijkheid (ondanks Balkenendes recente pleidooi voor gelijkheid als een basiswaarde in de Europese Unie), we zouden uitgebreider moeten stilstaan bij deze belangrijke emancipatoire functie van het beroepsonderwijs. Het kabinet zou er goed aan doen om deze gevolgen van hun sociale-zekerheidsbeleid onder ogen te zien, en na te gaan in hoeverre dit beleid vanuit het ministerie van OCW wenselijk is. Van dit kabinet mag een blik op het eigen beleid worden verwacht dat een departement overstijgt.

Dr. H.G. van de Werfhorst is universitair docent Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij doet onderzoek naar de rol van kwalificaties op de arbeidsmarkt.