2050: Heerlijke Nieuwe Wereld

Halverwege deze eeuw zal volgens de Wereldbank de omvang van de wereldeconomie het viervoudige zijn van nu. Dat is even hoopgevend als schrikbarend.

Zou het niet prachtig zijn als die zeventig procent van de Indiase gezinnen die nu geen elektriciteit hebben, in hun bloedhete klimaat konden beschikken over zoiets eenvoudigs als een werkende koelkast? Als de kindersterfte in ontwikkelingslanden zou decimeren omdat iedereen toegang heeft tot schoon water? En Chinezen net als wij op zondag met kinderen in de auto naar hun familie gaan?

De Wereldbank schetst, in een vorige week uitgebrachte studie, de wereld in 2050. Dat is over 46 jaar – dezelfde afstand in de tijd ten opzichte van nu als het jaar 1958. De vooruitzichten voor halverwege deze eeuw zijn even hoopgevend als schrikbarend. In 2050 zijn er zo'n negen miljard mensen, anderhalf maal zoveel als nu. En als de geïndustrialiseerde wereld jaarlijks 2 procent blijft groeien, en ontwikkelingslanden met 3,3 procent, bedraagt de omvang van de wereldeconomie tegen die tijd 135.000 miljard dollar. Viermaal zoveel als nu.

De enorme armoede van nu zou grotendeels verdwenen zijn: wat nu de Derde Wereld heet, heeft in 2050 gemiddeld een inkomen per hoofd dat veel hoger is dan het huidige inkomen van de onlangs tot de Europese Unie toegetreden Oost-Europese landen. Wereldwijd zouden inkomensverschillen flink zijn afgenomen. Nu neemt 20 procent van de wereldbevolking 80 procent van de wereldconsumptie voor zijn rekening. Straks is de verhouding veel evenwichtiger.

De achterkant van de medaille is dat al die nieuwe welvaart en consumptie een onwaarschijnlijk groot beroep zullen doen op de natuurlijke hulpbronnen. En een al even zware druk zullen geven op het milieu. Juist om duidelijk te maken hoe enorm de uitdaging is, kwam de Wereldbank er toe het 2050-scenario te maken. Als de huidige wereldproductie van 35.000 miljard dollar al zorgt voor het broeikaseffect, het teruglopen van de biodiversiteit, het in hoog tempo verbruiken van de fossiele brandstoffen en het leegvissen van de zee, wat doet een additionele productie van driemaal zoveel dan wel niet? Hetzelfde geldt voor de beschikbaarheid van zoet water, dat voor 70 procent wordt gebruikt voor irrigatie. De voedselconsumptie loopt sneller op dan de economische groei doet vermoeden, omdat mensen op hun weg van armoede naar welvaart verhoudingsgewijs meer voeding gaan gebruiken.

Niet groeien is geen optie, stelt Kirk Hamilton, de top-milieueconoom van de Wereldbank. ,,Moeten we dan tegen al die andere mensen zeggen: sorry, de koek is op. Dit is het voor jullie?'' Dat is volgens Hamilton onmogelijk, al was het maar omdat de economische groei buiten het Westen toch wel plaatsvindt. ,,Ik zie geen alternatief voor groei en ontwikkeling.''

Tot nu toe zorgt elke procent extra economische groei mondiaal tevens voor een procent meer uitstoot van het broeikasgas kooldioxide. Maar in het Westen is die verhouding snel aan het dalen. Daar ligt een mogelijkheid om met gerichte investeringen de energieopwekking efficiënter en minder vervuilend te maken. Dat zal wel moeten, want om aan de energiebehoefte van 2050 te voldoen zullen er wereldwijd jaarlijks duizend van de grootste elektriciteitscentrales moeten bijkomen. ,,Als we doorgaan zoals nu, dan leven we straks in een klimaat dat niet alleen ernstig veranderd is, maar ook onvoorspelbaarder is geworden.'' Ironisch genoeg leven de allerarmsten in gebieden waar een klimaatverandering de grootste invloed zal hebben, zoals Zuid-Azië en Afrika. Armen zijn sowieso kwetsbaar: de recente orkaan Jeanne kostte zes levens in Florida, maar 2.400 in het straatarme Haïti.

Is het geven van gerichte hulp om de scherpe kanten van de wereldwijde groeiexplosie af te halen niet een druppel op een gloeiende plaat? ,,We zijn niet naïef'', zegt Warren Evans, topbestuurder van de Wereldbank voor het milieu. ,,We kunnen niet van arme landen verwachten dat zij hun ontwikkeling opgeven om voor ons het klimaat te redden.'' Pikant in dit verband is dat de verwachte economische groeivoet van 3,3 procent voor ontwikkelingslanden niet zomaar een getal is. Het is de groei die nodig is om in 2015 de zogenoemde `millenniumdoelen' voor gelijkheid, ontwikkeling en armoedebestrijding te realiseren, waar het Westen zich toe heeft verplicht.

Volgens Evans is er wel degelijk wat te doen, en moet daar ook nu aan worden begonnen. ,,Kijk naar de grote infrastructurele projecten die samengaan met verstedelijking en bijvoorbeeld water- en energievoorziening. Die doen er vanaf de tekentafel tot de besluitvorming, financiering en oplevering makkelijk tien tot vijftien jaar over'', zegt Evans, ,,en ze blijven vervolgens zeker dertig jaar staan. Wat daar nu over wordt beslist, heeft in 2050 nog steeds effect.''

Dat geldt ook voor het verbeteren van de productiviteit in de landbouw, de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen en de watervoorziening. De Wereldbank wijst op het succesvolle initiatief voor het elimineren van drijfgassen die de ozonlaag aantasten uit spuitbussen en koelkasten. De uitstoot van deze gassen is minder dan 10 procent van wat hij ooit was, en is binnenkort helemaal verdwenen. Dat moet een voorbeeld zijn dat internationaal beleid kan werken, als de nood maar hoog genoeg is. Want ,,of je het leuk vindt of niet, de realiteit is dat de druk er komt. Je moet doen wat je kunt''.