Wereld een maatje te groot voor G7

Is de huidige groep van zeven industrielanden, de G7, nog wel representatief voor de wereldeconomie? Nauwelijks. Tijd voor een wat groter gezelschap.

Het ging drie decennia lang niet zo goed in de wereldeconomie als nu. Maar toch lag de vergadertafel van de groep van zeven belangrijkste industrielanden, de G7, dit weekeinde vol met knellende dossiers. Om ze even af te gaan: de buitengewoon hoge prijs van ruwe olie, van 50 dollar per vat, die een bedreiging kan worden voor de voorspoed die overal – behalve in Europa – om zich heen grijpt. Dan is er het ongeëvenaarde gat op de Amerikaanse betalingsbalans van 5,5 procent van het bruto binnenlands product. Dat gaat al heel lang goed, maar kan niet eeuwig doorgaan. Dan was er de kwestie-China, dat zijn munt in een vaste koers aan de Amerikaanse dollar heeft gekoppeld – en daarin overigens wordt gevolgd door zo'n beetje heel Zuidoost-Azië. De VS, en Europa, willen meer flexibiliteit omdat zij vinden dat Azië zichzelf ten onrechte met een goedkope munt bevoordeelt. Voorts zijn er de Iraakse schulden van 120 miljard dollar (97 miljard euro), waar hoe dan ook iets aan moet gebeuren wil het land ondanks zijn potientiële olierijkdom niet voor eeuwig vastzitten aan rente en aflossing. En ook de allerarmste landen moet onder de grootste schuldenlast uit.

Dat is een hele waslijst. Er is één rode draad die alle onderwerpen verbindt: gáát de G7 er eigenlijk nog wel over? De G7 bestaat uit de VS, Canada, Japan, Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Italië. Bij politieke G7's mag Rusland meedoen, bij de financiële, zoals dit weekeinde, niet. Ga de onderwerpen nogmaals af: de grootste olieproducenten maken geen van alle deel uit van de G7. Dus wie gaat er luisteren naar de oproep van de groep tot meer transparantie op de oliemarkt? De zeven zijn nettoconsumenten van olie, en geen kleine ook. Bovendien is de belangrijkste factor in de recente prijsstijging van olie de snelgroeiende energieconsumptie in China. En ook de Chinezen, hoewel dit weekeinde gast bij de G7, maken geen deel uit van het gezelschap.

Dan het gat op de betalingsbalans van de VS. Dat wordt tegenwoordig voor het grootste deel gefinancierd door Azië. Japan, wél een G7-lid, speelt daarbij sinds april van dit jaar een minder belangrijke rol. Aan gene zijde van de Amerikaanse betalingsbalans staan dus landen die niet aan de G7 meedoen. Hetzelfde geldt voor de Aziatische wisselkoerspolitiek.

De Iraakse schulden dan? Ook niet. Via de Club van Parijs hebben de westerse industrielanden grip op 40 miljard dollar van de Iraakse schulden. Dat is maar eenderde van het totaal. De rest is in handen van landen die niet tot de G7 behoren, met name Koeweit en Saoedi-Arabië, maar ook onvermoede landen als Bulgarije. De G7 kan onderhandelen wat zij wil over Iraakse schuldkwijtschelding, maar zij gaat er eigenlijk niet over.

Ook bij kwijtschelding van de schulden van de allerarmste landen spelen veel meer staten een rol. Stel, zo zei minister Zalm dit weekeinde, dat de goudvoorraad van het IMF daadwerkelijk zou worden opgewaardeerd volgens een Brits plan (waar Zalm overigens tegen is). Dan ontstaat er een boekwinst van zo'n 34 miljard dollar. Niemand kan IMF-aandeelhouders als Argentinië en Brazilië tegenhouden om hun deel daarvan meteen op te eisen als dividend.

Conclusie moet zijn dat de wereld veranderd is sinds de zeven in de jaren zeventig het management van de wereldeconomie op zich namen. Azië rukt op, de olieproducenten zijn geëmancipeerd. En ook landen als Brazilië zijn niet langer af te schepen. In wat wel een multipolair systeem wordt genoemd, is het westen is niet langer het middelpunt van de wereld. Voor een doorbraak op vrijwel alle dossiers van dit weekeinde zijn andere, belangrijke, landen nodig.

De financiële G7 dreigt daarmee een anachronisme te worden. Wat is daar aan te doen? De groep bewandelt vooralsnog de weg van voorzichtige uitbreiding: een nieuwe grootmacht wordt opgenomen als daartoe aanleiding is. Rusland is al vaste gast bij de politieke G7's van staatshoofden, China was dit weekeinde te gast bij de financiële G7. Maar wie verwachtte dat de Chinezen dankbaar en buigend naar binnenkwamen, kwam bedrogen uit. Voor hen, zei de Chinese minister van Financiën, hoefde het allemaal niet zo snel te gaan. Wie niet leidt, heeft geen verantwoordelijkheid. En dat komt in China's huidige omstandigheden misschien wel niet zo heel slecht uit.

Uitbreiden van de G7 op ad hoc-basis lijkt het antwoord niet. De voormalige minister van Financiën van de VS Larry Summers opperde gisteren tijdens een lezing in Washington een andere weg: de zogenoemde G20. In 1999 werd deze Groep van 20 opgericht, tijdens een G7-top in Keulen. Het doel was toen het draagvlak van de G7 te verbreden. Naast de G7-landen zitten in de G20 veel nieuwe sterren van de wereldeconomie: Argentinië, Australië, Brazilië, China, India, Mexico, Rusland, Saoedi-Arabië, Zuid-Afrika, Zuid-Korea en Turkije.

Het zou uiteindelijk zo ver kunnen komen dat de G20 op financieel-economisch gebied een prominentere rol gaat spelen dan de G7. Het hangt er vooral vanaf in hoeverre de huidige G7-landen hun privileges willen prijsgeven. Maar de noodzaak is er, en groeit. Voor Nederland maakt het weinig uit. Eind jaren zeventig werd het al buitengesloten bij het topoverleg omdat het net niet groot genoeg was.