G7 wil meer inzicht krijgen in markt ruwe olie

De wereldoliemarkt moet transparanter worden. Daardoor kan beter worden opgetreden bij marktverstorende effecten van productie en consumptie op de prijs van olie. Dit hebben de ministers van Financiën van de zeven grootste industrielanden (G7) dit weekeinde afgesproken tijdens een vergadering in Washington. Ook op de jaarvergadering van het Internationaal Monetair Fonds werd deze wens ondersteund. De oliemarkt is weinig transparant, vooral omdat de OPEC-landen hun productiecijfers niet prijsgeven. De oliemarkt moet zich daarom verlaten op methodes als het tellen van vertrekkende en aankomende olietankers in de Arabische Golf, en de route die deze schepen nemen.

Ook is er weinig inzicht in de rol die speculanten spelen op de olietermijnmarkt. Volgens schattingen is ongeveer de helft van de recente prijsstijging van olie afkomstig van een grotere vraag uit met name China, maar is de andere helft veroorzaakt door risicopremies (bijvoorbeeld aanslagen of onrust in Nigeria) en speculatie.

De vergaderingen van G7, IMF en de Wereldbank stonden in het teken van de hoge prijs van ruwe olie, schuldreductie voor de armste landen en de internationale financiële onderwerpen als de wisselkoersen en het Amerikaanse tekort op de betalingsbalans. Op al deze dossiers werd weinig tot geen vooruitgang geboekt.

Een Amerikaans plan om de schulden voor de allerarmste landen volledig kwijt te schelden en leningen van de Wereldbank om te zetten in giften, kwam niet verder. Andere landen, waaronder Nederland, verzetten zich tegen het plan omdat dit de financiële positie van de Wereldbank zou uithollen. Verzet was er ook tegen een Brits alternatief van minister van Financiën Gordon Brown. Deze wil de schuldkwijtschelding aan de armste landen financieren door een opwaardering van het goud van het IMF. Dat goud heeft een boekwaarde van 8,5 miljard dollar, maar een straatwaarde van ruim 42 miljard dollar. Minister Zalm van Financiën, die als EU-voorzitter aanzat bij de vergadering van de G7, noemde dit plan het ,,verkopen van het tafelzilver voor een goed doel''. Als andere landen ook gewoon de destijds afgesproken 0,7 procent van het bruto binnenlands product zouden besteden aan ontwikkelingshulp, dan zou er volgens de minister helemaal geen geldgebrek voor schuldsanering zijn. Het Verenigd Koninkrijk besteedt op dit moment veel minder dan de helft van dat normbedrag. De VS nog geen kwart.

De G7 werd het ook niet eens over de hoeveelheid schulden die Irak moet worden kwijtgescholden. De VS willen gaan tot 95 procent van de 120 miljard dollar die Irak heeft uitstaan. Frankrijk en Duitsland willen niet verder gaan dan 50 procent. Nederland heeft overigens slechts een kwart miljard dollar tegoed van Irak. De industrielanden, verenigd in de zogenoemde Club van Parijs, hebben gezamelijk 40 miljard schuld bij Irak uitstaan. Verwacht werd wel dat tegen het jaareinde een compromis wordt bereikt over de Iraakse schulden. Begin volgend jaar worden in Irak voor het eerst verkiezingen gehouden.