Aardrijkskunde: kennis vergaren of opvoeden?

De hersteloperatie die voor het middelbaar onderwijs is bedacht, dreigt een allegaartje te worden, vrezen Frans Groot, Nicolette Mout en Rob van der Vaart.

Het middelbaar onderwijs heeft in ruim tien jaar drie grote vernieuwingsoperaties verwerkt: de invoering van de basisvorming in de onderbouw (1993), de tweede fase in de bovenbouw van havo en vwo (1998), en de samenvoeging van vbo en de mavo in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (1999).

De vernieuwingen waren op het ministerie van Onderwijs bedacht en werden dirigistisch doorgevoerd. De leraren morden, de kinderen waren ontevreden en ouders zochten naar vluchtroutes.

Nu staat er een vierde operatie voor de deur: een hersteloperatie. De basisvorming wordt ten grave gedragen en de onderbouw opnieuw op de schop genomen. De Tweede Kamer praat binnenkort over de voorstellen van de `Taakgroep vernieuwing basisvorming'.

Uitgangspunt is dat middelbare scholen beter aansluiten op het basisonderwijs. De leerlingen worden in de eerste twee leerjaren door kleinere docententeams begeleid en actiever aan het werk gezet. Er komt ook meer samenhang in het lesprogramma, zodat leerlingen minder hoeven te zeulen met hun schooltas en overzichtelijker kunnen leren.

De vakken Nederlands, Engels en wiskunde blijven bestaan, maar de overige kunnen worden ondergebracht in de leergebieden `mens en natuur' (biologie, scheikunde, natuurkunde en verzorging), `mens en maatschappij' (aardrijkskunde en geschiedenis), `kunst en cultuur' (muziek, dans, drama en de beeldende vakken) en 'bewegen en sport' (hoofdzakelijk gymnastiek). De scholen kunnen ervoor kiezen de traditionele vakken in deze leergebieden samen te voegen, maar ze kunnen ze ook apart blijven aanbieden.

Deze vernieuwing is anders dan alle andere: er wordt gedereguleerd. Leraren en schoolbesturen krijgen de ruimte om zelf invulling te geven aan de ingrijpende voorstellen. De overheid geeft alleen algemene richtlijnen en doet nauwelijks uitspraken over wat jongeren in elk geval moeten leren. Scholen, leraren en uitgevers moeten dat zelf bepalen. Maar willen we dat als samenleving wel?

Als we het voorbeeld nemen van aardrijkskunde en geschiedenis: is het aan de vrije markt om te bepalen of leerlingen al dan niet kennis nemen van ons republikeinse verleden, van de Tweede Wereldoorlog, van immigratievraagstukken of van globalisering en wat die voor Nederland betekent?

Volgens de nieuwe omschrijving van het leergebied `mens en maatschappij' krijgen de docenten aardrijkskunde en geschiedenis vooral een opvoedkundige missie toebedeeld: ,,Verwondering over zowel het andere als het eigene is een centrale drijfveer in het leerproces van 12- tot 14-jarigen. Vragen leren stellen, inlevingsvermogen ontwikkelen en een open, verkennende houding aannemen zijn zowel doel als middel.'' Het doel is ,,dat leerlingen gestimuleerd worden op informatie gebaseerde, beargumenteerde beslissingen te nemen als burgers van een cultureel diverse, democratische samenleving waarin de onderlinge afhankelijkheden groot zijn''.

Het zijn prachtige, hoog gegrepen uitgangspunten, maar krijgen de leerlingen zo'n instelling niet vooral van huis uit mee? Zijn leraren echt in staat om hun leerlingen op te voeden tot oplettende leden van de `civil society'? De rol van het onderwijs wordt op dit punt nogal eens overschat.

Veel lastiger is het om van al dit moois een handzaam lesprogramma samen te stellen. Het komt er op neer dat vakken als aardrijkskunde en geschiedenis worden omgebouwd tot een leergebied dat vooral informatievaardigheden en een verantwoorde maatschappelijke houding moet bijbrengen ,,om binnen democratische kaders de overeenkomsten en verschillen tussen mensen te waarderen en te respecteren, en dat te uiten in betrokkenheid op zichzelf, elkaar en de omgeving''.

In deze woorden resoneren de debatten over normen en waarden, de multiculturele samenleving en de te ver doorgevoerde individualisering. Het is niet gering wat er van de vakken aardrijkskunde en geschiedenis gevraagd wordt: het aanleren van democratisch gemeenschapsgevoel in een gefragmenteerde samenleving.

Nu gaat het bij aardrijkskunde en geschiedenis niet alleen om het aanleren van een methode of een houding, maar om het verwerven van een substantiële hoeveelheid kennis. Dat deze vakken ook echt `over iets gaan', vinden leerlingen juist interessant.

Voor wat betreft aardrijkskunde eisen de nieuwe `kerndoelen' niet veel meer dan dat de leerlingen iets van Nederland, Europa en de wereld moeten weten en handig met een atlas moeten kunnen omgaan. In het historische deel volstaat enige chronologische kennis en vaardigheid met bronnen. Dit is een erg minimalistisch programma. De scholen krijgen dus de boodschap mee: wat je behandelt moet je zelf maar beslissen, als je maar gisse informatiezoekers en tolerante burgers opkweekt.

De scholen moeten de vernieuwing invoeren zonder dat dit iets extra's mag kosten. Het is goed mogelijk dat de traditionele vakken de vernieuwingsoperatie niet overleven. Meer voor de hand ligt dat scholen de leergebieden zeer verschillend gaan invullen en daarbij ook een eigen draai geven aan de verschillende niveaus waarop het aangeboden wordt (vmbo, havo, vwo). Voor de leerlingen is dit allemaal niet handig: overstappen naar een andere school of een schooltype wordt moeilijker. Levert deze deregulering dan vooruitgang op of vooral verwarring?

Tot nu toe is deze kwestie alleen besproken in een beperkte kring van beleidsmakers, schoolbesturen en docenten. Publiek debat is er nauwelijks geweest, want deregulering is in de mode. Toen de basisvorming werd ingevoerd, was de klacht dat de voorschriften te gedetailleerd waren. Nu, elf jaar later, zijn die regels zo wollig en open geformuleerd, dat iedereen er het zijne van kan maken.

De inhoud van het onderwijs wordt nu vrijwel volledig overgelaten aan het vrije spel der maatschappelijke krachten. Het is te hopen dat de Tweede Kamer de regie in handen neemt en de fundamentele vraag stelt: wie beslist over de inhoud van de kostbare lesprogramma's.

Frans Groot is historicus en bestuurslid van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap (KNHG), Nicolette Mout is hoogleraar Algemene Geschiedenis te Leiden en voorzitter van het KNHG en Rob van der Vaart hoogleraar Sociale Geografie te Utrecht.