Zwarte mees

De zwarte mees is een bijzondere verschijning. Het zwart in de naam (Latijn: Parus Ater) betekent eigenlijk staalblauw, blauwfluweel of zelfs vaal olijfgroen. De kleine vogel is bijna kameleontisch, vooral wanneer een scherpe bundel zonlicht tussen de takken doorschijnt en oplichtend over het verenkleed schiet. In de bossen van Oost-Nederland met verspreide boomgroepen, boomstronken, naaldbomen en stammen met holen komt deze kleinste van de zeven mezensoorten sporadisch voor. Net zoals de echte mezen (kool, pimpel, mat- en glanskop) heeft de zwarte mees een donker befje. Opvallend kenmerken zijn de witte halsvlek, vuilbruine wangen en de diepdonkere bovenzijde. Deze insekteneter is een van de schuwere mezen die echter wel met onophoudelijk kwetterende zang de aandacht op zich richt. Het liedje wekt een melancholieke indruk. De onderzijde is nooit geel, zoals bij andere mezen, eerder isabel. Soms nestelt deze mees in de grond of zelfs een verlaten ijsvogelnest. 's Winters voegt hij zich bij andere mezen, boomkruipers of goudhaantjes. Hij broedt over heel Europa, behalve in de noordelijke streken. Atlijd mooi die snelle ritselaars tussen de takken en twijgen te zien. Alsof ze geheime ontmoetingen hebben.

Illustratie:

Rein Stuurman

(Zien is kennen!)

freriks@nrc.nl