Zestig jaar geleden

Op 27 september 1944 meldde de New York Herald Tribune dat de Britse troepen in het oosten van Nederland 20 mijl waren opgerukt en dat de in Arnhem omsingelde eenheden zich waarschijnlijk handhaafden. Drie weken na Dolle Dinsdag, de dag waarop het westen van Nederland, dat nog niet Randstad heette, zich gereed had gemaakt voor de bevrijding. De zesde september van zestig jaar geleden hebben we min of meer herdacht als de dag van een grote vergissing. Major operations had ended. In werkelijkheid was voor dit deel van de wereld de laatste grote operatie begonnen: de Hongerwinter.

Binnen een paar maanden waren drie tot vier miljoen mensen in een soort middeleeuwen terecht gekomen. Het openbaar vervoer hield ermee op, de scholen gingen dicht, de telefoon deed het niet meer, om acht uur 's avonds en later om zes uur mocht je je huis niet meer uit, straatverlichting hadden we wegens de verduistering al jaren niet, het voedsel raakte op, de hongertochten naar het platteland begonnen, het verzet weerde zich, pleegde overvallen, schoot hier en daar een verrader op straat dood, en de Duitsers vermoordden op de openbare weg tientallen gijzelaars, of mensen die om andere redenen toevallig in de gevangenis zaten.

Terwijl ik het opschrijf, denk ik aan Bagdad. Een soort Bagdad is ook een vergelijking, maar dan veel stiller, met alleen lopende mensen, of op een fiets met houten banden. En veel en veel kouder. Een stad is vol brandstof die tot andere doelen dient. Het volk begon de bomen langs de weg en in de parken om te hakken. Hier en daar werden leegstaande huizen dusdanig van hun houtwerk ontdaan dat ze instortten. Er waren straten en lanen, geplaveid met een asfaltachtig materiaal waarin brandbare kolen bleken te zitten. Die werden opengebroken en wat kon branden werd eruit gezeefd, zoals goudzoekers dat met de goudkorrels hadden gedaan.

De wereld van de Hongerwinter werd steeds kleiner. Eerst waren andere steden onbereikbaar geworden. Daarna kwam je je eigen deel van de stad, je buurt niet meer uit. Op 11 november hielden de Duitsers in Rotterdam een grote razzia. Wie daaraan ontsnapt was, ging zeker in de eerste weken daarna zijn huis niet meer uit. Het huis zelf werd kleiner door het gebrek aan brandstof. Je bleef in de kamer waar de kachel, of het noodkacheltje brandde. In het begin van `De aanslag' beschrijft Harry Mulisch de onherbergzame koude die de grote kamer onbewoonbaar heeft gemaakt. Dat is de smaak van de Hongerwinter.

De economie verviel tot eenvoudige ruilhandel op de zwarte markt. Voor een pakje sigaretten betaalde je tweehonderd gulden, maar wie het verstandig aanpakte, kon die twintig sigaretten weer ruilen voor een zekere hoeveelheid tarwe of mais waarmee de familie voor een aantal dagen te eten had. Je kon het ook directer aanpakken door met een paar mensen te proberen, een broodkar om te keren. Een broodkar was een wagen op twee wielen, geduwd door de knecht van de bakker. De broodbezorger die dagelijks zijn ronde langs de vaste klanten maakte. In de Hongerwinter waren de broodkarren trouwens al vlug uit het straatbeeld verdwenen.

Er kwamen steeds meer bedelaars, mensen die geen werk meer hadden, geen geld wilden maar iets te eten. Sommigen hadden hongeroedeem, opgezwollen benen. Bedelaars van alle leeftijden tussen de zes en de tachtig. Koude en honger zijn de grootste vijanden van de zindelijkheid. In januari 1945 begon hier de opmars van de hoofdluis. Kijk, zei mijn vriend Albert. Daar heb je er weer een. Hij had zijn haar gekamd met een natte kam, liet me de kam zien, met het beestje dat bezig was zich tussen twee tanden uit te worstelen.

's Nachts vlogen de bommenwerpers over. Zoeklichten flitsten aan, het afweergeschut opende het vuur, en een paar minuten later hoorde je het getik van de granaatscherven op de dakpannen. De avond daarop meldde Radio Oranje en de BBC Home Service, de Engelse radio welke Duitse stad geraakt was. In Rusland rukte het Rode Leger onweerstaanbaar op, heel Frankrijk was al bevrijd, Italië idem, en in het westen van Nederland heerste onder de nevel en een laagje sneeuw de stilte van de Hongerwinter.

Dit alles kwam bij me op toen ik deze voorpagina van de New York Herald Tribune zag. Niet de oorspronkelijke maar een afdruk, in de International Herald Tribune van 9 september 2004. Met enige regelmaat doen ze het op het ogenblik, zo'n voorpagina van zestig jaar geleden publiceren. Het is alsof je in een oud familiealbum kijkt. Nu heb ik het over de aanblik van de krant, en niet over de inhoud. Die oude krant, van 27 september 1944 heeft een kop van twee regels over de breedte van de pagina. Daar is dan ruimte over voor nog tien berichten en een fotootje van een neergestorte Japanse bommenwerper. In de Tribune van 9 september 2004 staan op de voorpagina vijf berichten en acht foto's. Het formaat en het logo, Herald Tribune in gothische letters met tussen die twee woorden een gravure vol symboliek, zijn niet veranderd. En dan nog een verschil. De Tribune van dit jaar heeft op de voorpagina een reclame, voor The World's #1 Show: MAMMA MIA! TERRIFIC FUN! Van fun had zestig jaar geleden nog niemand gehoord.