'Van vijgenbomen kun je sentimenteel worden'

De oostgrens van Europa loopt dwars door Nicosia. De Grieks-Cyprioten verwierpen het VN-plan om de deling van het eiland op te heffen, voordat Cyprus op 1 mei lid werd van de Europese Unie. Beeldend kunstenaar Stass Paraskos: 'De Grieken zijn bang dat Cyprus een Turks protectoraat wordt.'

De meest oostelijke grens van Europa oogt belabberd. Sinds het Griekse deel van Cyprus (650.000 inwoners) op 1 mei van dit jaar lid werd van de Europese Unie vormt de 'groene lijn', die het eiland van Afrodite sinds 1974 in tweeën deelt, de grens die de Turken nog eventjes buiten houdt. De hardnekkige poging van vn-secretaris-generaal Kofi Annan om de opdeling van Cyprus nog vóór 1 mei ongedaan te maken mislukte. Hij stelde voor van Cyprus een nieuwe federatie van twee staten te maken met een centrale regering volgens Zwitsers model, met een symbolisch, roulerend presidentschap. Zeven dagen voor de uitbreiding, op 24 april, stemde 76 procent van de Grieks-Cyprioten in een referendum tégen het plan-Annan. 65 procent van de Turken stemde vóór, met in het achterhoofd dat Turkije op termijn zelf ook lid van de EU wenst te worden. En zo kon het gebeuren dat de tweedeling bleef bestaan en dat op 1 mei de facto alleen het Griekse deel van Cyprus toetrad tot de EU.

Het is een bizarre grens, met totaal anachronistische decorstukken. Lopend door Nicosia, door de Grieken naar de oude naam uit de tijd van de Ptolemeeën Lefkosia genoemd, bots je opeens op een vervallen café dat geheel is gebarricadeerd met zandhopen en halfvergane zandzakken. Plotseling loopt een straat dood op een rij op elkaar gestapelde witgeverfde olievaten met prikkeldraad erop. Gluur je door de spleten, dan zie je verlaten straten met de Turkse halve maan op de muur geschilderd. Even verderop loopt de bestandslijn gewoon over de oude Venetiaanse stadsmuren, omgeven door een strook niemandsland met wachttorens van de VN.

Daar is ook het Cyperse Checkpoint Charlie, waar je sinds een jaar bijna ongestoord naar het Turkse deel van Nicosia kunt lopen. Paspoort laten zien, stempeltje op een vodje papier en zo wandel je in de blakerende zon door een verlaten straat de Turkse Republiek van Noord-Cyprus (trnc) binnen, die alleen erkend is door Turkije. Bovenop de muur, in een verdroogd Turks parkje, drink ik bij een koffietentje een blikje cola. Ik betaal met 1 Griekse pond en krijg als wisselgeld 1,5 miljoen Turkse lires terug. Het tekent het verschil tussen het arme Turkse en het rijke Griekse deel van het eiland. Als ik terugloop door het niemandsland weerklinkt het gebed van de mullahs vanaf de minaretten van Nicosia.

Curieuze beeldhouwwerken

Honderdvijftig kilometer westwaarts, in het dorpje Lemba bij de havenstad Pafos, staat een simpele loods, omgeven door een muur, bestaande uit de meest curieuze beeldhouwwerken. Dit is het Cyprus College of Arts, gesticht door de Grieks-Cypriotische kunstenaar Stass Paraskos (1933). Jaarlijks biedt hij atelierruimte aan 15, meestal buitenlandse kunstenaars, 's zomers zijn er teken- en schildercursussen voor studenten.

Dertig jaar woonde Paraskos in Groot Brittannië, waar hij op jonge leeftijd ontdekt werd door de artistieke elite van de industriestad Leeds. Misschien is het zijn lange afwezigheid die maakt dat nationalisme hem vreemd is.

Paraskos heeft dan ook vóór het plan-Annan gestemd, maar begrijpt heel goed waarom driekwart van zijn landgenoten tégen stemde. 'Turkije is een onbetrouwbaar land, het is een semidemocratie, bestuurd door het leger. De Grieken zijn bang dat Cyprus een Turks protectoraat wordt', zegt Paraskos en biedt mij een whiskey aan. Het is tien uur 's ochtends, dus ik sla beleefd af.

Paraskos stemde voor, bij gebrek aan beter en omdat hij hoopte dat in ieder geval een deel van de 200.000 Griekse vluchtelingen terug zou kunnen keren naar hun huizen en dorpen in het Turkse deel. 'De vluchtelingen missen hun land, ze kunnen knap sentimenteel worden over hun vijgenbomen. Vergeet niet dat mensen ook van objecten kunnen houden.'

Stass Paraskos is een van de zes zonen van een schaapsherder uit het dorp Anafotia bij Larnaka. Het Britse koloniale systeem drong nauwelijks tot de dorpen door. Op zijn twaalfde ging Stass met twee oudere broers bij een weduwe op kamers wonen in Larnaka, om naar de middelbare school te gaan. 'Mijn moeder stuurde ons eten uit het dorp, ik kreeg een halve shilling zakgeld per week, dat spaarde ik op en dan ging ik naar films met Humphrey Bogart! Ik was dol op film.' De strenge school beviel Stass maar matig.

De enige leraar die hij aardig vond was de leraar Engels, de eerste Brit die hij ontmoette. 'Je was verplicht 's middags thuis te zitten om huiswerk te maken. De opzichter van school reed rond op zijn fiets en als hij je op straat betrapte, kreeg je een pak rammel. Eens was ik niet naar de kerk gegaan. Toen moest ik van mijn godsdienstleraar een boom inklimmen om een goeie tak te zoeken waarmee hij me af kon ranselen.'

Na drie jaar was het geld op en ging Paraskos in de leer bij een van de grootste drukkerijen in Nicosia. 'Ik vond dat systeem van meester en leerling prachtig, dat respect voor mensen met technische vaardigheden. Ik was 15 en woonde op kamers middenin de rosse buurt van Nicosia. Wij werkten 's nachts en zaten dus middenin het nachtleven. Sindsdien ben ik dol op prostituees, ze waren reuze aardig voor ons jongens. Voor het eerst had ik ook een klein salaris van een paar pond per maand. De drukkersbond werd geleid door communisten en was heel goed georganiseerd. We hadden de hoogste salarissen op Cyprus.'

Seksuele controle

Op zijn zestiende reisde Paraskos zijn broer achterna naar Engeland. Zijn ouders vonden het best. 'Mijn moeder had ambitie. Ze vond het dorpsleven slavernij en wilde voor ons iets anders. Voor haar was werken op kantoor het paradijs. Ik wilde altijd al naar het buitenland, ik rook de vrijheid. Ik haatte de beperkingen, de sociale en seksuele controle.' Maar Engeland viel tegen. Hij waste borden en schrobde vloeren en na een jaar keerde hij met hangende pootjes terug naar zijn ouders. Om het een jaar later opnieuw te proberen. Hij ging in Leeds in een restaurant werken, maar bezocht voortdurend musea en galeries, waar hij bewonderend toekeek hoe studenten van de kunstacademie schilderden en tekenden. Het zou zijn leven radicaal veranderen. Op hun aanraden nam hij lessen op de academie. De academische sfeer paste totaal niet bij hem. Tekenen ging hem slecht af, maar na het aantreden van een nieuwe directeur gebeurde er een wonder. Hij gaf Paraskos linnen en verf. 'Binnen twee minuten maakte ik een stilleven. De directeur riep alle studenten om het te komen bewonderen. Ik had mijn twijfels, maar als de directeur zei dat het goed was... De instructie aan de leraren was: Leer hem niks. Ik schilderde alleen maar. Al gauw volgden er tentoonstellingen en lovende kritieken. Ze vroegen me om les te gaan geven. Ik zei: ik spreek nauwelijks Engels. Ze zeiden: vertel over je werk. Ik vroeg: wat verdient dat? Ze boden 11 pond per dag. In het restaurant verdiende ik 6 pond per week! Het was niet in alle opzichten goed voor me, ik kon de roem niet weerstaan. Maar ik was kennelijk een goede leraar, want ik heb op bijna alle kunstacademies in Engeland lesgegeven. Mijn kennis kwam niet uit de boeken, ik sprak vanuit het hart. Al mijn vreugde, al mijn opwinding in het leven komt van de kunst'. Paraskos werd uiteindelijk hoofd van de afdeling Beeldende Kunst van de Kunstacademie in Canterbury.

In 1966 raakte Paraskos verwikkeld in een typisch Brits zedenschandaaltje. Een van zijn in Leeds tentoongestelde doeken, Lovers and Romances, trok de aandacht van de politie. Een vrijende man en vrouw werden als 'obsceen' en 'aanstootgevend' door de politie in beslag genomen op grond van de Vagrancy Act uit 1824. Hij moest voor een Londense rechtbank verschijnen. Het leidde tot gêne in hoge politieke kringen (de Labour-minister van Binnenlandse Zaken Roy Jenkins bood Paraskos per brief zijn excuses aan), maar het recht moest zijn loop hebben en de kunstenaar werd tot een boete van 5 pond veroordeeld. Die hij nooit betaalde. Het zou nooit meer gebeuren, bezwoer de minister.

Bitter Lemons

Terwijl Paraskos in Leeds doceerde, werd Cyprus in 1960 onafhankelijk. Het was van 1925 tot 1960 een Britse kroonkolonie geweest. De toenemende politieke onrust op het eiland, zoals beschreven in Bitter Lemons van Lawrence Durrell, is goeddeels langs hem heengegaan. Eigenlijk heeft Paraskos nog wel eens heimwee naar het koloniale systeem. 'We hebben er een paar goeie dingen aan overgehouden, respect voor persoonlijke vrijheid, een fatsoenlijk politieapparaat en een fatsoenlijk rechtssysteem. Maar de Engelse politiek vinden we hier cynisch: de Britten hebben belang bij de deling. Ze hebben hier hun militaire bases en die willen ze graag houden.' De Grieks-Cyprioten zijn blij met de toetreding tot de Europese Unie. 'In de eerste plaats om veiligheidsredenen. Kleine landen krijgen binnen de EU een stem. Maar ook omdat de Cyprioten zich als Europeanen beschouwen. Ze vinden Europeanen toch een superieur ras. Wij zijn christenen en de Turken zijn onze traditionele vijanden.'

Het onbegrip in het Westen over de verwerping van het plan-Annan noemt Paraskos hypocriet. 'Europeanen spreken veel en vaak over mensenrechten, maar in het geval-Cyprus willen ze Turkije niet voor het hoofd stoten. Geen enkel ander Europees land zou deze overeenkomst hebben geaccepteerd. Annan heeft alles aan de Turken gegeven, in de hoop dat de Grieken het akkoord niet zouden durven weigeren. De Amerikaanse druk was enorm, die steunen Turkije vanwege hun geopolitieke betekenis. De vliegtuigen naar Irak tanken op Cyprus.'

Toch ziet Paraskos wel vooruitgang. Door de openstelling van de 'green line' door de Turken komen sinds een jaar dagelijks honderden Turken naar het Griekse deel, om te werken in de exploderende bouwsector. Het plan-Annan zal in gewijzigde vorm terugkomen, is zijn stellige overtuiging. 'Maar de bottomline voor iedereen hier blijft: het Turkse leger moet vertrekken en mag nooit meer terugkomen. De Turken moeten het recht om Cyprus binnen te vallen eens en voor altijd opgeven. Eerder wordt dat akkoord niet getekend.' Turkije heeft na de de invasie van 1974 meer dan 100.000 Turken naar Cyprus gestuurd. 'Dat kun je niet anders noemen dan etnische zuivering.'

Aartsbisschop Makarios

Toen de spanningen tussen Grieken en Turken na de onafhankelijkheid hoog opliepen (veel Grieken waren voor enosis - aansluiting bij Griekenland) werd in 1964 een VN-vredesmacht op het eiland gestationeerd. In juli 1974 werd de Cypriotische president en aartsbisschop Makarios (volgens Paraskos een slecht politicus die beter in de kerk had kunnen blijven) afgezet na een coup door generaal Grivas, die werd gesteund door de militaire junta in Griekenland. Paraskos noemt Grivas 'een rechtse fascist die niet alleen de Turken maar ook de Grieken terroriseerde'. Een week later viel het Turkse leger het noordelijke deel van Cyprus binnen, om niet meer weg te gaan.

Paraskos was die dagen toevallig op Cyprus. Hij herinnert het zich als een periode van grote chaos. 'Ik was in Pafos. Er kwam een Grieks schip, dat op de Turkse wijk van Pafos schoot. Ik kroop van schrik onder de tafel. Ik had nog nooit oorlog meegemaakt. In dat soort omstandigheden duren de dagen eindeloos lang. Drie uur leek wel een jaar.

'Bij die beschieting waren Turken gewond geraakt. Ik ben ze gaan opzoeken in het ziekenhuis. Lemba was een Turks dorp. Een Griekse jongen uit een ander dorp doodde een Turk hier uit het dorp, alleen omdat hij Turk was. Toen doodden de Turkse dorpelingen de eerste de beste Griek die voorbijkwam. En zo begon het vechten. De Turken moesten uit Lemba vluchten. Maar het was niet de bevolking als geheel, het was een stelletje fanaten. Toen kwamen de Turken met hun vliegtuigen. Ze waren genadeloos. Honderdduizenden Grieken vluchtten hierheen. De sfeer was heel triest. In de cafés hing een doodse stilte, niemand sprak een woord. Het was of mensen zich schaamden. Er werd een avondklok ingesteld.'

Geen openheid

Bij de grensovergang in Nicosia staat een boompje met linten en foto's van vermiste mensen. Officieel zijn er 1600 Grieken verdwenen bij de vijandelijkheden. Dat is nog steeds een steen des aanstoots. 'Er zijn wreedheden begaan aan beide zijden', zegt Paraskos. 'De Turken hebben veel mensen gedood, maar ze geven geen openheid van zaken. Dit probleem moet opgelost worden, want mensen willen weten wat er met hun dierbaren is gebeurd. Sommigen zijn meegenomen naar Turkije en nooit meer teruggekeerd. Dit is een humanitair probleem, hierbij mag propaganda geen rol spelen. Ook de Grieken hebben vreselijke dingen gedaan, jonge Turkse vrouwen verkracht.'

Nee, over zijn eigen Grieks-Cyprioten is Paraskos ook maar matig te spreken. Het gaat ze te goed. Het toerisme, dat kan iedereen met eigen ogen zien, vreet het eiland op. Overal wordt gebouwd en de hotels en huizen worden steeds groter en duurder. Het heeft het voordeel, zegt Paraskos, dat de jeugd niet meer zo nationalistisch is. Ze willen maar één ding en dat is geld verdienen. Toch ziet Paraskos het met lede ogen aan. 'Ik voel me niet meer thuis op Cyprus, ik ben een vreemdeling in eigen land. Ik ben een links persoon met conservatieve opvattingen. Waar is het idealisme gebleven, het humanisme? Geld verdienen is niet het doel des levens. Toen ik naar Europa ging, was iedereen hier arm, maar niemand zou het in zijn hoofd halen een vrouw te beroven. Helaas, vooruitgang kan niet op haar schreden terugkeren. De mensen hier hebben gewoon te veel geld. Ze houden er allemaal Ceylonees of Filippijns personeel op na tegenwoordig en behandelen die ronduit slecht! Bourgeoismanieren!'

Het was me al opgevallen in Nicosia: op zondag zijn de parken vol met picknickende Aziaten, die verkoeling zoeken onder de bomen. De dienstmeisjes en schoonmakers van de Griekse nouveaux riches.

Als Paraskos mij na ons gesprek naar het naburige Aios Neofytos-klooster rijdt, wijst hij op de overal uit de grond schietende nieuwbouwwijken met identieke villa's. 'De othodoxe kerk op Cyprus is een van de corruptste ter wereld. Het zijn dé grootgrondbezitters van het eiland en dat verkopen ze nu allemaal aan projectontwikkelaars. Het is heel makkelijk zo'n klein land als Cyprus te verpesten.' Maar Paraskos blijft optimistisch. 'Ik hoop dat er binnenkort weer een grote filosoof opstaat om ons te vertellen hoe we fatsoenlijk kunnen leven. Want dit kapitalisme leidt nergens toe.'

Laura Starink is redacteur van NRC Handelsblad.

Christos Theodorides is fotograaf in Nicosia.

'Sindsdien ben ik dol op prostituees, ze waren reuze aardig voor ons.'

'Cyprioten vinden Europeanen een superieur ras.'

'Ik ben een vreemdeling in eigen land.'