Taal komt aanwaaien

`Taal komt aanwaaien', in Wetenschap & Onderwijs van 18 september jongstleden, verbaast mij. Graag enkele kanttekeningen, al heb ik heb niets van Tomasello gelezen. Ik baseer me slechts op de weergave door Hendrik Spiering.

Tomasello creëert allereerst een valse tegenstelling. Welke `Chomskyaan' miskent het belang van het concrete taalaanbod en de context? In de afgelopen decennia verschenen juist vele publicaties waarin het actuele, situatiegebonden taalaanbod centraal stond. Met name bij de creolistiek, de bestudering van pidgin- en creooltalen, is dit essentieel. Deze studies zijn soms beïnvloed door de generatieve taalkunde, die Noam Chomsky initieerde. Men gaat daar uit van een aangeboren talent voor het onderscheppen van grammaticale structuren. De term `aangeboren grammaticaorgaan' is echter een achterhaalde simplificatie.

Pidgin- en creoolstudies berusten op analyses van verzamelde data. Men brengt het taalcorpus geduldig in kaart, alvorens met grootse uitspraken of pretentieuze verklaringsmodellen te komen. De resultaten tonen evidente overeenkomsten, hoe verschillend pidgin- en creooltalen aan de oppervlakte ook zijn. In Nieuw-Guinea (Tok Pisin), Suriname (Sranan) en Noorwegen (Russonorsk) vinden mensen gelijksoortige syntactische en paradigmatische oplossingen bij het scheppen van een gemeenschappelijke taal. Dat blijft onverklaard zonder veronderstelde biologische aanleg.

Wat is grammatica en welke rol speelt die bij taalverwerving? Behrens, aanhangster van Tomasello, betwijfelt of een peuter bij het produceren van een zin `besef heeft van werkwoorden en lijdende voorwerpen.' Maar daar gaat het helemaal niet om! De vraag is, of een kind uit het taalaanbod grammaticale structuren destilleert en daarmee nieuwe, niet eerder gehoorde zinnen maakt. En dat gebeurt efficiënter en sneller dan Tomasello suggereert. Niet door een kant-en-klare universele grammatica, maar door een predispositie om hypothetiserend de regels van de aangeboden taal te achterhalen. Net zoals de voorwaarden voor leren lopen of lief te hebben klaarliggen in ons overgeërfde neurologische systeem, niet het lopen of de liefde zelf.

Uiterst vreemd is Tomasello's kijk op overgeneralisaties bij kinderen (`ik breekte het glas'): `Volgens de aanhangers van de universele grammatica zouden kinderen helemaal geen fouten moeten maken', zegt hij. Dit is echt dom, want de generatieven zijn juist dol op deze geniale fouten! Ze tonen de zoektocht naar een optimaal consequente systematiek. Bepaalde soorten fouten maken alle kinderen ter wereld, vermoedelijk door hun grammaticale talent. Evolutionair is dat wel zo praktisch. Heeft een Chinese peuter een andere aanleg voor lopen dan een Nederlandse?

Bij het taalgebruik van zijn dochter negeert Tomasello een gouden schat. Inderdaad, haar werkwoorden zijn `eilanden van organisatie in een zee van wanorde'. Losse `chunks' of linguïstische universalia? Syntaxis is vaak opgebouwd rond het werkwoord. In het Italiaans en sommige Berbertalen heb je in allerlei zinsconstructies geen zichtbaar onderwerp nodig omdat je het onderwerp al hoort in de morfologie van de werkwoordsvorm. Hier verwacht je samenwerking in plaats van strijd tussen psychologen en taalkundigen. Maar Tomasello vindt vadermoord op Chomsky spannender.