Somberen bij verdampte beurs en volle spaarpot

Burgers voeren actie tegen het kabinet. Ze zijn boos. Consumenten houden al drie jaar de hand op de knip. Ze zijn somber. Nederland verwerkt een dubbel trauma.

. Amsterdam beleeft de grootste demonstratie sinds jaren. Vele tienduizenden mensen – en als de voorspelling van Maurice de Hond uitkomt 200.000 – demonstreren vandaag tegen het beleid van het kabinet-Balkende. Driekwart van de bevolking heeft weinig tot heel weinig vertrouwen in het kabinet, zo bleek deze week uit een peiling van TNS NIPO. Zelfs onder de CDA-stemmers heeft de meerderheid er weinig tot geen vertrouwen in.

Het is niet het enige front waarop het volk in de contramine is. Consumenten weigeren te consumeren. Al drie jaar lang sparen ze tegen de klippen: het spaarsaldo is met 40 procent toegenomen. Er wordt veel minder uitgegeven dan op grond van gangbare economische modellen mocht worden verwacht. Nederland is hierin uniek: de consumentenstaking treedt niet op in vergelijkbare landen. Wat zit ons dwars?

Er is beslist iets om over te treuren. Eind 2000 hadden Nederlanders samen een aandelenbezit van 264 miljard euro. Twee jaar later was dat nog 123 miljard: ruim 140 miljard aan beurswaarde was verdampt. Aan het gratis rijk worden door de almaar stijgende huizenprijzen was ook abrupt een einde gekomen. Dat gebeurde ook in andere landen, zoals de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, maar daar wordt inmiddels wel weer volop geconsumeerd.

Nederland gaat gebukt onder een zwaar economisch trauma. De essentie hiervan ligt verscholen in enkele conjunctuurcijfers van het CBS. Statistici vragen maandelijks aan consumenten hoe zij de economische situatie van de afgelopen twaalf maanden waarderen en hoe ze die voor de komende twaalf maanden inschatten. Met deze cijfers van terugblik en verwachting valt de balans op te maken van mee- en tegenvallende verwachting. Dit beeld van optimisme en pessimisme schommelt door de jaren heen nogal, wat vooral aangeeft dat consumenten geen geweldige voorspellers van het economisch klimaat zijn.

Maar in de jaren negentig gebeurde iets bijzonders: de stemming onder de burgers werd steeds positiever. Elke maand werden de economische verwachtingen weer overtroffen. Nog nooit sinds deze beleving wordt gemeten, viel het economisch klimaat in de ogen van consumenten zó mee als aan het einde van de jaren negentig.

Medio 1999 verandert dit. Het economisch tij valt nog altijd mee, maar de stemming onder consumenten wordt elke maand negatiever. Vanaf maart 2000 valt het economisch klimaat tegen in vergelijking tot de verwachtingen en die tegenvaller wordt elke maand groter. In maart 2003 wordt een absoluut dieptepunt bereikt. De piek van het hoogste optimisme naar het diepste pessimisme ligt ver buiten de bandbreedte van gewone conjunctuurgolven. Een waar maatschappelijk trauma.

[vervolg TRAUMA: pagina 3]

TRAUMA

'Dit kabinet doet aan afbraakpolitiek'

[vervolg van pagina 1]

De jaren negentig, wat een heerlijke tijd! De werkloosheid verdween als sneeuw voor de zon. De nieuwe economie kwam op. Overal gingen de terrassen open en Nederland mat zich een welhaast mediterrane levensstijl aan. In de rest van de wereld vroeg men zich af hoe dat dekselse landje dat fikste, maar wij namen het voor vanzelfsprekend aan. Het ging ons goed en we genoten ervan.

De kentering kwam even onverwachts. De dotcom-luchtbel klapte uit elkaar, de euro maakte het nieuwe uitbundige leven ineens een stuk duurder, Pim Fortuyn ontmaskerde de paarse efficiency, maar zijn discipelen maakten er een zootje van. De werkloosheid liep op, de woningmarkt stagneerde. De stemming was omgeslagen. Wat heet: Zum Tode betrübt. Tot zo ver te begrijpen.

Maar inmiddels klaren de omstandigheden op. Al drie maanden achtereen daalt de werkloosheid en stijgt het aantal vacatures. De economie groeit weer. Nederland klimt uit het dal. Maar toch blijven we somberen. We houden ons geld in de zak, we zijn boos op Balkenende en we rouwen met zijn vijf miljoenen mee om de dood van André Hazes, vertolker van het uitzichtsloos bestaan.

Die somberte komt ook naar voren in tal van harde cijfers. Neem het consumentenvertrouwen, sinds het begin van de jaren zeventig door het CBS vastgesteld. Dit is gebaseerd op antwoorden die mensen geven op vragen over de economische en financiële situatie en of het een gunstige tijd is voor grote aankopen. Grofweg stelt dit getal het verschil voor tussen het percentage optimisten en het percentage pessimisten. Zijn er meer optimisten, dan is het consumentenvertrouwen positief, zijn er meer pessimisten, dan is het negatief.

Dit consumentenvertrouwen liep in de tweede helft van de jaren negentig op tot ongekende hoogte en bereikte in juni 2000 de hoogste waarde ooit. Maar toen ging het op de glijbaan. Even, in 2001, leek de neergang te stoppen, maar daarna roetsjte het verder tot die vorige zomer op een bijna all time low belanden. Alleen op het dieptepunt van de crisis van begin jaren tachtig is het consumentenvertrouwen nóg lager geweest dan in juli 2003. Sindsdien krabbelt de indicator op, maar het niveau is historisch gezien nog altijd zeer laag. Het aantal pessimisten blijft aan zienlijk groter dan het aantal optimisten.

Niet alleen de consumenten waren volkomen verrast door de ontwikkelingen, ook de detailhandel. Normaal loopt het detailhandelsvertrouwen ongeveer in de pas met het consumentenvertrouwen, maar in 2001 was dat ineens niet meer het geval. Terwijl het concumentenvertrouwen in elkaar klapte, bleven winkeliers nog meer dan een jaar geloven dat die klanten wel terug zouden komen. Quod non. Pas in het voorjaar van 2002 daalde het detailhandelsvertrouwen. Harde ingrepen als de supermarktoorlog hebben dan ook lang op zich laten wachten.

De grootste economische tegenvaller uit hun leven was niet het enige trauma dat Nederlanders te verwerken kregen. Volkomen los hiervan ontstond op politiek terrein een even sensationele omslag. Ook die kwam onverwachts.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) constateerde in het najaar van 2001 nog (op basis van cijfers uit 2000) dat Nederlanders zo tevreden waren – met de politiek, met alles eigenlijk. Een goed half jaar later kraaide Pim Fortuyn victorie na de gemeenteraadsverkiezingen. Drie maanden later vond de grootste aardverschuiving in de Nederlandse politieke geschiedenis plaats.

In het kader van een al vele jaren lopend onderzoek vraagt het SCP aan de respondenten of ze tevreden zijn met de regering, en of ze vinden dat de overheid goed functioneert. Sinds 1995 liep de tevredenheid met regering en overheid elk jaar een heel klein beetje op. Het ging goed met Nederland, en de burger waardeerde dat. In NIPO-enquêtes gaf de helft van de bevolking aan veel of zeer veel vertrouwen te hebben in paars-II, wat buitengewoon hoog is in vergelijking met andere kabinetten. In 2000 daalde zowel de tevredenheid met de regering als die met de overheid een klein beetje. Een kleine fluctuatie, zo leek het toen. Achteraf blijkt het een trendbreuk, een prelude op een dramatische afname van de tevredenheid in 2002.

In 2000 vond nog 65 procent van de bevolking dat de overheid het goed deed, aldus het SCP. Twee jaar later vond nog maar 35 procent dit. Nooit eerder stelde het SCP zo'n grote verandering in opvatting in zo'n korte tijd vast. Uit een vorige week gehouden enquête van TNS NIPO sprak verbittering: ,, Dit kabinet doet aan afbraakpolitiek.' Zo sombert Nederland verder, hand op de knip, klagend over de politiek.

Is er nog hoop? Hier en daar beginnen enkele categorieën in de samenleving zich aan de malaisegevoelens te onttrekken. Het consumentenvertrouwen bij de twintig procent hoogste inkomens is de afgelopen anderhalf jaar aanzienlijk gestegen en dit kwartaal voor het eerst sinds 2001 positief. De verschillen hierin tussen mensen met hoge en lage inkomen zijn de laatste anderhalf jaar meer dan verdubbeld. Voor het verschil tussen jongeren en ouderen geldt hetzelfde. Onder de 35 jaar zijn er nu bijna evenveel optimisten als pessimisten.

Consumenten uiten hun lage vertrouwen door veel te sparen. In drie jaar tijd nam het spaarsaldo van de Nederlanders toe van 135 naar 187 miljard euro, een stijging van veertig procent. Per huishouden staat er gemiddeld ruim 26.000 euro op de bank, wat historisch gezien zeer veel is. Er ligt als het ware een stuwmeer aan spaargeld klaar om besteed te worden zodra het gesomber is afgelopen. Een koopgolf van ongekende omvang kán het gevolg zijn. Back to the nineties! Wie weet. De vraag is alleen wanneer.

Rectificatie / Gerectificeerd

AEX-index

Het bijschrift onder de foto bij het artikel `Dit kabinet doet aan afbraakpolitiek' (2 oktober, pagina 3) meldde dat de AEX-index op 7 augustus 1997 boven de 100 punten sloot. De index sloot die dag boven de 1.000 punten.