Schijtlijster

Wiegertje Postma (17), liefhebber van konijnen, treft een asociaal persoon in de trein. De jongerencolumn van www.spunk.nl

Ik had gehoopt iets dapperder te zijn dan dit. Altijd als ik me voorstelde hoe ik zou reageren als ik in de trein naast een rokend mens zou zitten, was ik ervan overtuigd dat ik daar wel wat van zou zeggen. Niet op het belerende toontje van iemand die er ook brieven over naar de lezersrubriek van de Metro zou sturen, maar met de stem van de Rede. Of zo iemand er ,,misschien even mee zou willen wachten''. Zoiets. Stralende Bambi-ogen op actief en een innemende glimlach paraat. De roker in kwestie zou goedgemutst en met een knipoogje zijn sigaret uitmaken, en er op het perron pas weer eentje opsteken, alwaar ik nog een gezellig praatje met hem zou maken over het gebeurde, en de actualiteit in het algemeen. Ik heb niks tegen rokende mensen namelijk, zie je. Ik heb rokende mensen onder mijn beste vrienden.

De werkelijkheid mag zoals zo vaak niet zo rooskleurig zijn. Een tikje nerveus knabbel ik op mijn vingers als de jongen tegenover mij een joint begint te prepareren. Dat soort dingen kennen we allemaal best hier op de Veluwe, hoor. Maar ik zit wel in de fucking God-Express tussen Zwolle en Utrecht en de beste jongen stapte in Putten de trein in, dus ik had me psychologisch niet op het geven van een lichte reprimande voorbereid. Bovendien is hij verkleed als gabber en daar ben ik bang voor. Ik weet niet of het de ingevallen wangetjes zijn, de groepsvorming op het kerkplein, of dat modegrillen uit 1995 mij in het algemeen gewoon beangstigen, maar ik wil altijd het liefste wegvluchten van een gabber. Hoe erg hij ook gesteld is op zijn oma. Ik besluit dus dat `Leven en Laten Leven' als levensmotto meer mijn ding is en onderwerp een vetvlek op het raam in de vorm van een konijntje aan een uitgebreide observatie.

De jongen ritst zijn paarse weekendtas open. Onopvallend weet ik mijn ogen los te maken van het konijntje – vermoedelijk uit het haar van iemands vermoeide hoofd afkomstig – en kijk naar wat hij uit zijn tas haalt. Ook hier had ik me oorspronkelijk niet op ingesteld en ik had me zeker voorgesteld er wat koelbloediger op te reageren. Ik had gedacht als een jonge, frisse Inspector Frost de jongen op andere ideeën te brengen, onderwijl de dood rechtstreeks in de ogen kijkend. Onverschrokken zou ik hem toespreken, vriendelijk maar streng, en hem overtuigen van het Goede in de wereld. Na een kleine tegenstand zou hij inbinden, en snikkend vertellen over zijn probleemjeugd, geldnood en de ongewenste zwangerschap van zijn vriendin. Begrijpend zou ik knikken, hem op beminnelijke wijze een kaartje toeschuivend van iemand die zou kunnen helpen. Als vrienden zouden we uit elkaar gaan.

Maar een golf van misselijkheid klotst door me heen als ik zie wat hij in zijn vingers heeft. Onbezorgd speelt hij met een diepzwart glimmend pistool. Mijn ledematen voelen in één klap aan alsof er iets zwaars overheen gereden is en ik merk dat ik witjes wegtrek. Ik ben te jong om zo aan mijn eind te komen, of hij dat monster nou op de kermis heeft gewonnen of niet. Hij geeft me een knipoogje als hij merkt dat ik staar naar zijn masculiene trots. Ik voel mijn hart ratelen op plekken waar dat niet hoort. Er zit maar één ding op. Met een ruk richt ik me weer op het konijntje. Ik begin ritmisch heen en weer te wiebelen en zing het konijntje zachtjes toe. Doen alsof ik gek ben heeft me vaker uit benarde situaties geholpen. Als hij bij Amersfoort uitstapt, voel ik me alsof ik in een plasje op de vloer lig. De eerste tête-à-tête met een pistool pakte niet zo uit als ik gehoopt had. Volgende keer beter, wellicht.