Reclassering op de terugtocht

In de gevangenis word je niet vanzelf een beter mens. Daarom doen reclasseringswerkers al honderd jaar hun best gedetineerden na hun vrijlating op het rechte pad te houden. Maar de regering heeft andere plannen. De reclassering moet professioneler worden en punten scoren. Even bellen met een oude klant is er niet meer bij. 'Het geduld is op. De samenleving eist totale veiligheid. Maar dat is een illusie.'

Ze noemen hem de zwarte hond. 'Omdat ik niet van spelletjes houd.' Johan Hardholt grinnikt. Hij is nu zo'n achttien jaar reclasseringswerker en kent z'n klanten zo langzamerhand wel. 'Ik sta bekend als een strenge jongen. Ze mogen mij altijd bellen, maar geen grappen.' Hij heeft het nog niet gezegd of zijn mobiele telefoon rinkelt. Theo aan de lijn, in paniek. Het is een oude bekende van Hardholt, en geen lieverdje. Althans, vroeger niet. Inmiddels heeft Theo zijn leven behoorlijk op orde. Hij heeft een vriendin, een kind, een nieuw huis. Maar naast hem woont een psychisch gestoorde vrouw die zijn vriendin lastigvalt en vanaf het balkon stenen gooit naar zijn dochtertje. 'Ik word hartstikke gek, Johan', hijgt Theo in plat Gronings door de telefoon. 'Dat mens moet stoppen. Anders ga ik meppen.'

'Rustig, joh', sust Hardholt. 'Je moet je niet zo laten fokken. Hoe is het thuis?' Theo hapt naar adem, en vertelt dat het allemaal goed gaat, ook met Mary. 'Ik heb het eindelijk voor mekaar, Johan. En dan gebeurt er dit.' 'Ik neem contact op met de woningbouwvereniging. Tot die tijd houd jij je handen thuis. Beloof je dat?'

Theo zucht, rustiger nu. 'Dat doe ik, Johan, beloofd.' 'Echt waar?' 'Echt waar, beloofd.'

Theo hangt op en Hardholt drukt zijn toestel uit. 'Dat bedoel ik dus', zegt hij. 'Nou heeft zo'n jongen toch een rustig weekend. En wat is het nou? Een telefoontje van een minuut. Maar eigenlijk mag ik het niet meer doen. Theo staat niet onder toezicht, het is een oude klant. Of nee, geen klant, ik moet dader zeggen. Eindelijk heeft hij zijn leven op de rails, en dan komt opeens die buurvrouw. Ik rijd even langs de woningbouwvereniging om te kijken of er wat is te regelen. Die vrouw moet daar weg, of Theo en zijn gezinnetje, want anders escaleert de boel. Daar krijgt de reclassering niet voor betaald, want Theo heeft niks meer met justitie te maken. Maar als ik het niet doe, wie doet het dan?'

Het christelijke pad

Wonen, werk, wijf. Dat waren decennialang de drie W's van de reclassering. Geen betere remedie tegen de criminaliteit dan het burgerlijk bestaan. Al in 1823 vonden een paar filantropisch ingestelde notabelen dat gevangenen meer nodig hadden dan vier kale muren en tralies voor het raam. Zij richtten Het Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen op, met als doel delinquenten weer op het juiste, liefst christelijke pad te brengen. Het genootschap zorgde voor onderwijs en werk in de gevangenis, en probeerde wat financiële hulp te bieden als mensen weer op straat kwamen te staan.

De overheid bemoeide zich niet met dat soort zaken in de negentiende eeuw. Gaandeweg kwam daar verandering in. In 1905 stelde de overheid geld beschikbaar voor instellingen die zich met resocialisatie bezighielden, en in 1910 werd de eerste Reclasseringsregeling ingevoerd. Het gevolg was dat in het verzuilde Nederland een wirwar van verenigingen en organisaties ontstond die allemaal probeerden om op hun eigen manier criminelen op het rechte pad te brengen. Bijna honderd jaar later zijn daar nog drie instellingen van over, waarvan de Reclassering Nederland (RN) met 1400 medewerkers de grootste is. Het Leger des Heils en de verslavingszorg hebben een eigen reclasseringsaanbod.

De reclassering staat van oudsher op het standpunt dat detentie alleen weinig zoden aan de dijk zet. Recidive, het terugvallen in crimineel gedrag, kan volgens haar het beste worden voorkomen door mensen te laten inzien dat ze hun leven anders kunnen inrichten. Maar hoe doe je dat?

'In de jaren zestig en zeventig was de reclassering niets anders dan de luis in de pels die wel eens zou kijken of de strafrechtspleging verantwoord omging met delinquenten', lacht scheidend directeur Han van der Leek. 'Alsof delinquenten het slachtoffer waren van de samenleving. Dat was de tijd dat men nog geloofde dat criminaliteit te bestrijden was door meer groen te planten. Nou, we hebben gezien wat dat heeft opgeleverd. De hele Bijlmer is groen. En de criminaliteit tiert er welig.'

De omslag kwam in de jaren tachtig. Vanaf dat moment probeerde het ministerie van Justitie, die de reclassering voor honderd procent subsidieert, zijn greep op de organisatie te vergroten. Justitie eiste waar voor zijn geld, wat in 1995 leidde tot een grootscheepse reorganisatie. 'Voor veel medewerkers was dat een traumatische omslag', zegt Miranda Boone, als onderzoeker verbonden aan het Willem Pompe instituut in Utrecht. 'Ze hadden het gevoel dat hun professionaliteit werd ontkend.' De traditionele hulpverlening moest plaatsmaken voor output-sturing, medewerkers werden afgerekend op het aantal rapporten dat zij schreven, en ze moesten verantwoording afleggen over wat ze deden en waarom.

De reclasseringswerkers zaten vroeger te dicht op hun cliënten, geeft Van der Leek toe. 'Ik ken een geval van een medewerker die ooit 50.000 gulden bewaarde voor een veroordeelde bankovervaller, zodat die een aardig sommetje had om een nieuw bestaan op te bouwen. Dat is nu uitgesloten.'

De reclassering veranderde. De organisatie werd zakelijker, ging efficiënter werken, en werd één organisatie in plaats van een verzameling hardwerkende en goedwillende professionals.

Maar de veranderingen gingen minister Donner van Justitie niet ver genoeg. Gedwongen door de maatschappelijke schreeuw om veiligheid en het economische tij, zette hij vorig jaar het mes in de reclassering. Op een totale begroting van 131 miljoen euro is 17 miljoen euro geschrapt. Tegelijk schroefde hij de productienormen op. De reclassering moest meer toezicht houden, meer rapporten schrijven en meer werkstraffen uitvoeren.

Op deze producten wordt de reclassering afgerekend, en wel letterlijk. Een verplicht reclasseringstoezicht levert 2.140 euro op.

Voor een voorlichtingsrapport krijgt de organisatie 495 euro van Justitie. Al het werk dat de reclassering doet en dat niet zo goed in productienormen kan worden uitgedrukt, blijft onbetaald. Het gaat dan vooral om wat in het jargon 'trajectbegeleiding' heet. Het onverwachte huisbezoek, even langsgaan bij een woningbouwvereniging, bellen met een werkgever om te kijken of er nog een stageplaats is voor een klant, iemand in de gaten houden als hij de bajes uitkomt, het levert niets meer op. Vorig jaar waren er nog 21.397 contacten in het kader van trajectbegeleiding. Dit jaar zijn dat er nul.

'Doodzonde', noemt Rob van den Heuvel, raadsheer van het gerechtshof in Arnhem, deze verandering in het takenpakket van de reclassering. Volgens hem is de reclassering een 'heel nuttig en noodzakelijk instituut', omdat het als enige in de hele strafrechtsketen een rol speelt, van politiebureau tot gevangenis, en daarna. Daardoor kennen de reclasseringswerkers de daders beter dan wie ook. 'Als de reclassering in de gevangenis niets meer mag doen, en mensen na hun terugkeer in de samenleving ook niet meer mag begeleiden, zal dat negatief uitpakken voor de recidivecijfers', vermoedt Van den Heuvel. 'Er zit een flinke groep zwakke broeders tussen die met wat meer steun in de rug toch minder snel terugvalt. Wat je nu niet in de reclassering investeert, komt terug op de balans van andere maatschappelijke organisaties. Daar wordt het niet veiliger door.'

Aan de band

Johan Hardholt zet de boordcomputer aan die hem de weg wijst naar het adres van zijn eerste klant deze ochtend, Herman Vincken in Hoogeveen. Vincken ligt 'aan de band', zoals dat heet, hij staat onder elektronisch toezicht (et). Vandaag gaat de band eraf, Vinckens tijd zit erop. Tijdens de rit schetst Hardholt de geschiedenis van de man. Getrouwd met een zwakbegaafde vrouw, drie kinderen. Een laag sociaal milieu. Na zeventien jaar deed zijn zus aangifte van verkrachting. Hij kreeg twee jaar. Terwijl Vincken zijn straf uitzat in de gevangenis, ging het thuis mis. Zijn vrouw ging drinken, de kinderen ontspoorden volledig. Er was sprake van brandstichting, het gezin werd op straat gezet. 'Er bemoeiden zich op een gegeven moment wel tien verschillende hulpverleners met de familie, maar die liepen elkaar allemaal voor de voeten.' Hardholt greep in en zocht contact met het Leger des Heils en de woningbouwvereniging. Samen zorgden ze voor een nieuw huis, zodat Vincken in de laatste fase van zijn detentie onder elektronisch toezicht kon worden gesteld. 'Zonder vaste woon- of verblijfplaats krijgt iemand geen ET', legt de reclasseringswerker uit. 'Hij had duidelijk een sleutelfunctie in het gezin. Toen hij eenmaal terug was, ging het meteen beter.' Vincken knapte zelf het nieuwe huis op, bij wijze van 'zinvolle dagbesteding'.

Twee kinderen gaan nu weer naar school, de derde werkt, de schulden worden beheerd, er is een gezinscoach van het Leger actief. Hardholt is nog uitsluitend verantwoordelijk voor het toezicht. 'Wij proberen een mini-netwerk om iemand heen te leggen, opdat hij weer een beetje op het spoor komt. Vroeger deden we veel meer zelf aan hulpverlening, maar dat hoeft niet meer. Wij redden niemand, maar bieden een beetje structuur.'

De nieuwe woning van de familie Vincken is makkelijk herkenbaar. Het balkon is versierd met een lint kerstlichtjes die midden in de zomer vrolijk knipperen. Hardholt begroet de familie en legt uit wat er gaat gebeuren. Dan knipt hij de band door. 'Hoe voelt dat?', informeert de reclasseringswerker. Vincken masseert zijn enkel waarin de afdruk nog zichtbaar is. 'Nou, kilo's lichter. En nou is het afgelopen, hè?' 'Ja', antwoordt Hardholt. 'Ik ben weg.'

Toezicht, waaronder elektronisch toezicht, is een van de kerntaken van de reclassering. Een officier van justitie of een rechter kan iemand verplicht onder toezicht plaatsen, wat betekent dat hij voor een bepaalde tijd door de reclassering in de gaten wordt gehouden en zich aan bepaalde afspraken moet houden. Doet hij dat niet, dan maakt de reclasseringswerker daar melding van en adviseert hij wat er volgens hem het best kan gebeuren. De officier of rechter beslist uiteindelijk, en kan iemand alsnog naar de gevangenis sturen.

In 2003 hield RN in 6.497 gevallen toezicht. Dat aantal moet nog dit jaar fors omhoog, vindt minister Donner. In zijn beleidsvisie, die hij vorig jaar oktober aan de Tweede Kamer voorlegde, noemt hij een streefgetal van 15.000. Voor 2004 staan ruim 8.000 gevallen geboekt. Op zich is de reclassering daar blij mee. Meer verplicht toezicht zou het gemis aan trajectbegeleiding kunnen ondervangen. Nadeel is alleen dat de reclasseringswerkers geen actie meer mogen ondernemen. Ze mogen nu alleen iets doen als anderen - het openbaar ministerie, de rechter of het gevangeniswezen - hun daartoe de opdracht geven.

Dat werkt verlammend op de creativiteit en de motivatie van de individuele reclasseringswerkers, blijkt in de praktijk. 'Reclasseringswerkers hebben een zekere ruimte nodig', zegt Johan Hardholt. Het zijn professionals die weten wat ze moeten doen. Wij verkondigen een oude boodschap: resocialiseren. Dat is niet soft. Als iemand een moord heeft gepleegd, adviseer ik echt geen 60 uur werkstraf. Straffen, natuurlijk. Maar dan. Dan komt iemand vrij. Als iemand geen werk heeft, geen woning, geen sociaal netwerk, dan wordt het verdomd lastig.

'Of stel je een tbs'er voor, een zedendelinquent. Hij komt na jaren vrij. Het gaat goed. En dan voelt hij opeens weer de drang. Bij de familie kan hij niet terecht, de kliniek ziet hij als de vijand. Dan belt hij mij. Omdat hij de reclassering vertrouwt. Vroeger zou ik even langs zijn gegaan. Nu mag ik niks doen.'

Het is een voorbeeld dat bijna alle reclasseringswerkers geven. Ze begrijpen dat er keuzes gemaakt moeten worden, maar ze betwijfelen of het de goede keuzes zijn. Vooral het wegvallen van de vrijwillige begeleiding gaat hun aan het hart. 'Een grote groep valt nu tussen wal en schip', oordeelt Ria Delis, reclasseringswerker uit Alkmaar. 'Mensen die geen verplicht reclasseringcontact hebben en minder dan een half jaar gevangenisstraf hebben gekregen, moeten we nee verkopen. Juist in die groep zitten vaak gemotiveerde mensen die nog wat zelfinzicht hebben, en die mogen we niet meer begeleiden.'

Heel omslachtig

Janneke Steenbrink, strafrechtadvocaat in Nijmegen, heeft in haar dagelijks werk last van de bezuinigingen van de reclassering. Ze geeft een voorbeeld. 'Een van mijn cliënten zit in het Huis van Bewaring. Het is een psychotische man die zo snel mogelijk naar een behandelinstelling moet. Vroeger konden we meteen vragen om een rapportage van de reclassering en op basis daarvan probeerden we dan zo'n man over te plaatsen. Nu moeten we eerst een verzoek richten aan het om of er zo'n rapport kan worden geschreven. Als het om dat niet nodig vindt, moeten we wachten op de rechter. Het werkt allemaal heel omslachtig.' Ook merkt ze dat de reclassering minder doet aan begeleiding en praktische hulpverlening. 'De nadruk ligt op rapporteren, dat merk je. Maar de uitwerking van zo'n rapport, wat er dan concreet met iemand moet gebeuren, dat blijft liggen.'

Steenbrink ziet verder dat leerstraffen (trainingen of cursussen), vooral bij jeugdige delinquenten, steeds vaker worden omgezet in werkstraffen. 'Blijkbaar heeft de reclassering te weinig mensen en middelen om die leerstraffen uit te voeren.' En ten slotte is het gebrek aan nazorg voor gedetineerden merkbaar. 'Cliënten komen nu bij ons met vragen over hun werk, hun huisvesting, de verzekering, noem maar op. Daar zijn wij niet voor, maar de reclassering blijkbaar ook niet meer. Ik probeer mensen door te verwijzen naar het reguliere maatschappelijke werk bijvoorbeeld, maar hoe ze het daar oppakken is me niet duidelijk. We proberen alternatieven te zoeken. Misschien is dat ook wel wat Donner wil.'

Dat is precies wat Donner wil. Justitie moet zich bezighouden met verdachten en daders van strafbare feiten. Mensen die hun straf hebben uitgezeten, zijn zijn zorg niet meer, zo redeneert de minister. Zij hebben dus ook geen hulp meer nodig, althans geen hulp van een door justitie gesubsidieerde instelling. 'We kunnen hoogstens onze cliënten doorsturen naar het maatschappelijk werk, of de gemeentelijke kredietbank', zegt Ria Delis, reclasseringswerker in Alkmaar. 'Maar daar zijn wachtlijsten, en bovendien weten deze organisaties weinig van dit soort cliënten. Ze zijn er ook bang voor. Mensen die in aanraking zijn geweest met justitie, mijden ze liever.'

Alles wat gek is

Dat geldt helemaal voor tbs'ers. 'Laat het woord tbs vallen en iedereen schrikt zich een hoedje', zegt Delis.

Kees van der Velden, sociaal-psychiatrisch medewerker van de reclassering in Utrecht, weet er alles van. Hij doet, zoals hij zelf zegt, 'alles wat gek is', en is gespecialiseerd in tbs'ers. Van der Velden adviseert op verzoek van tbs-klinieken over eventuele proefverloven, hij onderhandelt met instellingen over de plaatsing en houdt toezicht op sommige tbs'ers. Zoals op Charlie Post. Een lange Surinaamse man, 29 jaar oud. Post werd in 1995 veroordeeld tot tbs met dwangverpleging wegens poging tot moord op zijn toenmalige vriendin. Zes jaar zat hij in de Van der Hoevekliniek, toen was hij uitbehandeld. Toch werd de tbs nog met een jaar verlengd, mede omdat de reclassering vond dat de thuissituatie van Post nog niet stabiel genoeg was. Nu is het proefverlof omgezet in een voorwaardelijke beëindiging. Post moet zich maandelijks melden voor een gesprek, verder is hij vrij. Hij is getrouwd met een nieuwe vrouw, heeft een dochtertje van zes maanden, en hij heeft werk. 'Hoe vind je het om een gezin te hebben', vraagt Van der Velden. 'Ik ben met m'n neus in de boter gevallen', reageert Post enthousiast. 'Het is hartstikke leuk. En het gaat eigenlijk allemaal automatisch, zo'n kind.' De reclasseringsmedewerker knikt. 'Het levert geen spanning op? Je oogt ontspannen, moet ik zeggen.' 'Ben ik ook', knikt Post. 'Weet je moeder inmiddels dat je een dochter hebt?' vraagt Van der Velden. Een beladen vraag, want moeder heeft Charlie vroeger ernstig mishandeld. 'Ja, via via ben ik aan haar telefoonnummer gekomen. Toen ik het haar vertelde, vroeg ze alleen: ” Hoe heet dat kind?” Nou, als het zo moet, dan wil ik geen contact.' Van der Velden reageert alert. 'Jij moet daar bepalend in zijn, in het contact met je moeder. Jij trekt de lijn.'

Alle tbs'ers achter gesloten deuren houden, of onder elektronisch toezicht stellen, zoals de Tweede Kamer dit voorjaar suggereerde, is waanzin, meent Van der Velden. 'Ik geloof in straffen én behandelen, en dat kost tijd en geld. Deze mensen zijn ziek. Maar het geduld is op, de samenleving eist complete veiligheid. Dat is een illusie.'

Binnentuin

Achteraan op het bedrijventerrein van Heerhugowaard markeert een slagboom de toegang tot de penitentiaire inrichting Westlinge. Verder doet weinig aan een gevangenis denken. Het prikkeldraad dat zichtbaar is vanaf de binnentuin is nauwelijks afschrikwekkend. Westlinge is dan ook deels een half open, deels een open inrichting, waarin vooral kortgestraften zitten en langgestraften die het grootste deel van hun straf al elders hebben uitgezeten.

Ria Delis loopt ontspannen over het terrein naar het dienstencentrum dat grenst aan de binnentuin. 'Allemaal aan het wachten, jongens, maar niet op mij', grapt ze tegen het groepje gedetineerden die voor de deur staan te roken. Ze ontgrendelt de voordeur. Ook de binnendeur is op slot. Ze haalt de goede sleutel op en loopt naar een gesloten ruimte achter in de gang. 'De kamer van de reclassering is niet zo gezellig meer', verontschuldigt Delis zich. Een bureau en een computer, dat is het wel zo'n beetje. 'We zitten niet meer zo vaak in de bajes, dat mag niet meer. En dat zie je dan meteen aan de inrichting van zo'n ruimte, het is veel minder persoonlijk.'

Tot 1 januari had de reclassering binnen de gevangenismuren nog een duidelijke taak. Gedetineerden die op het punt stonden weer terug te keren in de samenleving, konden er terecht voor vragen over werk of wonen, en kregen zo nodig begeleiding bij het vinden van de juiste adressen. Eenmaal op straat konden de ex-gedetineerden altijd op hun reclasseringswerker terugvallen. Dat kan nu niet meer. 'De meeste mensen denken nog steeds dat wij met een plastic tasje buiten de gevangenismuren staan om iemand op te vangen', weet Delis uit ervaring. 'Nou, we doen veel, maar dat dus juist niet meer.'

De enige reden dat Delis nog één dag per week in Westlinge zit, is dat hier het Bureau Terugdringen Recidive is ondergebracht. Het bureau is een samenwerkingsverband tussen gevangeniswezen en reclassering en bepaalt in overleg met de reclassering wie in aanmerking komt voor een op maat samengesteld reïntegratieprogramma, en wie niet. Bajesklanten van wie van tevoren al vaststaat dat ze toch weer de fout in gaan, hoeven niet meer te rekenen op welke training of opleiding dan ook.

Om te bepalen hoe groot de kans is dat iemand recidiveert, is een nieuw wetenschappelijk instrument ontworpen, de zogeheten Recidive Inschattings Schalen (RISC). Aan de hand daarvan bekijken Delis en haar collega's welke problemen iemand heeft, en of daaraan iets valt te doen. 'Er zijn twaalf leefgebieden waarop wij punten toekennen', legt Delis uit, terwijl ze het RISC-formulier uit haar koffer pakt. 'Wonen bijvoorbeeld, en geld. Omgaan met geld is voor veel mensen die uit de gevangenis komen een probleem, vaak zijn er schulden. Als iemand een vast inkomen heeft, scoort hij een nul. Heeft hij wisselende inkomsten dan krijgt hij een 1. En heeft hij alleen illegale bronnen van inkomst, dan scoort hij een 2. Hoe hoger de score, hoe groter de kans dat het op dat gebied weer fout gaat. En hoe belangrijker het dus is om juist op dat punt te investeren, bijvoorbeeld door iemand een budgetteringscursus te laten volgen. Of neem iemand die met verlof gaat, maar boven een café woont en een drankprobleem heeft, en die onder invloed iemand in elkaar heeft gemept. Dan is de woonsituatie, naast alcoholgebruik en agressie, dus een criminogene factor.' Ze moet zelf lachen om het woord, criminogeen. 'Dat zeg ik dus niet tegen die gedetineerden als ik ze spreek, je moet wel je taalgebruik een beetje aanpassen. Een cliënt weet echt niet wat recidive is. ” Interventies, mevrouw, wat zijn dat?” Weten zij veel.'

Tekortgeschoten

'Als we goede recidivecijfers hadden gehad, waren die bezuinigingen nooit in deze mate doorgevoerd', denkt scheidend directeur Van der Leek. 'Daarin zijn we tekortgeschoten. We hebben al die jaren onvoldoende hard kunnen maken dat ons werk het gewenste resultaat heeft. De laatste tien jaar is veel te weinig onderzoek gedaan naar de serieuze effecten van het reclasseringswerk, en dat verwijt ik ons zelf, maar ook Justitie. Dat is het nadeel van zo'n oude organisatie. Wij hadden het gevoel dat we erbij hoorden, dat ons bestaansrecht vanzelfsprekend was. Nu moeten we ons eens te meer bewijzen.' Onderzoeker Miranda Boone, die veel over de reclassering publiceerde, geeft toe dat er nog weinig wetenschappelijke bewijzen voorhanden zijn om nut en noodzaak van het reclasseringswerk te onderbouwen. Zij begrijpt wel de frustratie die veel reclasseringswerkers op dit moment ervaren. 'Het gevaar van productienormen is dat mensen zich daarop blindstaren. Sommige reclasseringswerkers rennen zich de benen uit hun lijf, blijven maar leuren en sleuren om iemand erbij te houden. Daar heb ik respect voor. Hoeveel recidive ze daarmee tegenhouden, is niet bekend, en dat is het probleem. Het ministerie wil resultaat zien. Maar al die producten en cijfers bewijzen ook niet dat de reclassering slaagt in haar doelstelling.'

Die doelstelling is sinds begin dit jaar samengevat in een pakkende missie. 'Minder overlast, minder criminaliteit; dat is waar Reclassering Nederland zich hard voor maakt.' Een slogan die het goed doet in het van veiligheid bezeten Nederland. Maar de vraag blijft op welke manier dat doel het beste kan worden bereikt. Niet door maar eindeloos te blijven investeren in mensen die toch niet willen veranderen, vindt minister Donner. In zijn visie, neergelegd in het Regeerakkoord en uitgewerkt in de eerste nota Modernisering sanctietoepassing, moet er geselecteerd worden, het liefst in een zo vroeg mogelijk stadium. 'De minister vindt dat we niet eindeloos moeten omtuttelen met mensen als we weten dat het allemaal niks oplevert', legt directeur Van der Leek uit. 'Dat vindt de reclassering ook. Alleen moet je wel op basis van een goede analyse keuzes maken. Wij vinden dat iedereen een kans verdient.'

'Akkoord', zegt advocate Steenbrink, 'iedereen verdient een kans. Maar hoe lang? Ik verbaas me eerlijk gezegd wel eens over de keuzes die de reclassering maakt. Ik heb soms de indruk dat vooral de mensen die al in het systeem voorkomen een kans krijgen. Als er al een dossier is, als iemand al een contactpersoon heeft, gaat het blijkbaar makkelijker om weer wat hulp op poten te zetten. Ik zie soms mensen voor de zesde keer terugkomen en vraag me dan echt wel eens af of daar dan weer een reclasseringswerker op moet worden gezet.'

Dat vraagt de reclassering zich zelf ook af. Daarom introduceerde zij de zogeheten Quickscan, om zo snel mogelijk uit te maken hoe groot de kans is dat iemand recidiveert. Hoe meer punten een cliënt krijgt, des te groter de kans op terugval. 'Bij een man tel je 6 punten bij, bij een vrouw nul', zegt Geeske Mulder, reclasseringswerker in Utrecht. 'Een bepaalde leeftijdsgroep levert een per type gepleegd delict, en het geboorteland van de verdachte speelt ook een rol. Tel je al die punten bij elkaar op, dan krijgen we inzicht in de kans dat iemand opnieuw de fout ingaat.'

Het klinkt nogal klinisch, die selectie. Sommige collega's zijn dan ook bang dat de computer het werk gaat overnemen, vertelt Mulder. Zelf is ze daar niet bang voor. 'Ook bij de quickscan blijft ruimte om op basis van onze eigen professionaliteit een oordeel te geven over een dader. De score is één, maar wij moeten ook aangeven wat wij zelf van een cliënt vinden, en waarom we dat vinden.'

Jelle Naber, al dertig jaar werkzaam bij de reclassering, gelooft er allemaal niets van. Hij heeft geen enkel vertrouwen in de koers die de reclassering inmiddels vaart. 'Methodes als RISC klinken mooi, er worden mensen voor geselecteerd, en er verschijnen prachtige rapporten. Maar dan? Wat hebben we dan eigenlijk te bieden? Waar is het werk en waar de woning? Het levert allemaal meer rompslomp op, meer bureaucratie. En ik zit al veel te lang achter die computer.' Volgens hem zou de reclassering zich moeten concentreren op wat hij 'de eerste lijn' noemt. 'Wij zijn een uitvoeringsbedrijf', vindt Naber. 'Wij moeten dicht op de politie zitten, en meteen kunnen ingrijpen als iemand is opgepakt. Dan is de kans op verandering namelijk het grootst. Meteen iets regelen, de school bellen, een behandeling starten, doorverwijzen naar de verslavingszorg, werk regelen, met ouders gaan praten. Knallen. Ik doe de lichtere gevallen, huiselijk geweld, puberende jongens die rottigheid uithalen. Als je daar snel bij bent, kun je in 80 tot 90 procent van de gevallen herhaling voorkomen. Dat kan ik wel aan de samenleving uitleggen, hoor, dat daar belastinggeld heen moet.'

lk werk willen

Zij bijt hem, hij bijt terug. De littekens zijn zichtbaar op zijn borst. Schuchter zit Antonio Kuangana, afkomstig uit Angola, tegenover reclasseringswerker Suzanne van Doorn. 'De vorige keer dat u hier was, hebt u beloofd dat u een training zou volgen. U bent vier keer niet geweest. Hoe komt dat?' Kuangana staart naar zijn schoenen. 'Ik werk. Moest dinsdag vrij nemen. Baas zei: ” Beter thuisblijven.” Ik liever werken.' De man spreekt nauwelijks verstaanbaar Nederlands, maar Van Doorn knikt begrijpend. 'Hoe gaat het nu met uw relatie?' Kuangana schudt zijn hoofd. 'Ik vind, niet goed.' 'Vindt u die training eigenlijk zinvol?', vraagt Van Doorn verder. 'Voor mij helpt het niet.' Kuangana zoekt naar woorden. 'Ik hoor alleen problemen daar. Al die mensen hebben problemen. Ik werk willen.' Van Doorn sluit het dossier. 'Nou, helder. Ik moet dit aan de officier voorleggen.'

Van Doorn loopt de kleine rechtszaal binnen van het politiebureau Rotterdam-West. Deze zaal is speciaal ingericht om relatief kleine zaken te behandelen op zogenaamde tom-zittingen (Transactie om). Het openbaar ministerie kan in bepaalde gevallen namelijk zelf een zaak afdoen, en iemand een transactie aanbieden. De meeste zaken gaan over mishandeling, winkeldiefstal en huiselijk geweld. Het aanbod bestaat uit een boete, het volgen van een training of behandeling, of een taakstraf van maximaal 120 uur. Voorafgaand aan de zitting praat een cliënt eerst met een reclasseringswerker die vervolgens een advies uitbrengt aan de officier. Hij of zij bepaalt uiteindelijk wat er gebeurt. Weigert iemand een transactie, dan kan hij worden doorgestuurd naar de rechter. Beleidsmedewerker Lisette Kooijmans, die vandaag de officier van justitie vervangt, vraagt Van Doorn naar de motivatie van Kuangana, zijn situatie thuis, het nut van de training. Dan mag de man binnenkomen. Kooijmans luistert naar hem, spreekt hem bestraffend toe en zorgt ervoor dat de man, samen met zijn vriendin, contact krijgt met het maatschappelijk werk. 'Dat is nou zo prettig van de tom-zitting', zegt Van Doorn na de zitting, 'die korte lijnen. Een half uur een gesprek, recidive-risico inschatten, advies geven. Wij geven de voorzet en de officier kopt 'm in. Krijgt iemand een taakstraf, dan regelen wij dat meteen. Zo blijft de vaart er in.'

Productie, korte lijnen, werken in opdracht, de reclasseringswerkers weten precies wat tegenwoordig van hen wordt verwacht. Klanten zijn daders geworden, en hun missie is het voorkomen van recidive, ze zeggen het bijna elke zin wel een keer. Hun verzet tegen de plannen van Donner beperkte zich tot één landelijke demonstratie vorig jaar in Den Haag, en lijkt sindsdien gebroken. Ze blijven gemotiveerd hun werk doen, maar er klinkt vertwijfeling in hun stem. 'Je moet realistisch zijn in deze baan', zegt Marja Bouman uit Rotterdam die al 17 jaar bij de organisatie werkt. 'Je hebt klootzakken en dat zijn gewoon klootzakken. Bij sommigen zie je een klik, daar kan je dan wat mee. Dat is niet te meten, dat is pure intuïtie. Soms zie je wat in iemand, en dan gaat ie toch naar de kloten, en dat is dan balen.'

Ria Delis uit Alkmaar trekt een vergelijking uit de kast. 'Sommige collega's klagen dat de reclassering een fabriek is geworden die alleen nog jampotten produceert', zegt ze. 'Ik vind dat minder erg. Als het de enige manier is om te overleven, dan moet het maar.'

Dat lijkt precies wat de organisatie nu doet, overleven. De vraag is alleen hoe lang nog. De reclassering zegt dat ze onafhankelijk is en haar eigen koers vaart, maar in feite bepaalt Justitie wat de organisatie wel en niet mag doen. Het is denkbaar dat de taken die de reclassering nu nog uitvoert op termijn elders worden ondergebracht. In een aantal andere Europese landen is het al zover. Daar zijn reclassering en gevangeniswezen inmiddels helemaal geïntegreerd.

Johan Hardholt is bang dat het in Nederland ook die kant op gaat. Hij geeft de organisatie nog acht jaar, hooguit tien. De nieuwe directeur van RN, Sjef van Gennip, is optimistischer. 'Justitie en reclassering dienen hetzelfde doel, namelijk het vergroten van veiligheid. Maar ieder heeft zijn eigen rol', zegt Van Gennip fel. 'De meeste van onze klanten zijn schlemielen, die bungelen aan de onderkant. Ze veroorzaken overlast, en daar hebben de burgers last van. Je kunt ze opsluiten, maar het effect daarvan is twijfelachtig.'

Hij wil gaan samenwerken met bedrijven om te zorgen voor werk, hij wil wetenschappelijke publicaties zien om te bewijzen dat de reclassering kwaliteit levert, hij wil een voet tussen de deur krijgen bij lokale overheden. En hij wil vaker nee verkopen. 'De afgelopen tien jaar is de reclassering enorm veranderd, en daarvoor krijgen we te weinig maatschappelijk krediet. Veel shit is naar ons verschoven, en daarop worden we nu afgerekend. De taakstraf was oorspronkelijk niets anders dan een instrument om mensen met een niet al te lange straf buiten de gevangenis te houden, omdat ze daar slechter uitkwamen. Het was een alternatieve sanctie die prima werkte om bepaalde mensen te helpen resocialiseren. Maar door het cellentekort is de taakstraf vervuild, we moeten steeds vaker werken met zware gevallen. En dan gaat het mis, en krijgen wij de schuld.'

Glaasje wijn

Morgen zit hij in Toscane, waar hij een huisje heeft. Glaasje wijn erbij, genieten. Vandaag nog dunt Felix Jonker, samen met dertien andere mannen, de groenstrook uit bij Fort Edam. Het giet van de regen. Gekleed in knalgele regenbroeken en donkergroene jassen ploegen de mannen door de modder. Met handzagen halen ze het overtollige groen weg. Zeventig uur werkstraf heeft Jonker gekregen - 'ze zeggen dat ik fraude heb gepleegd'. Dit is zijn laatste dag bij dit groepsproject in Edam dat de reclassering in opdracht van Staatsbosbeheer uitvoert. De twee werkmeesters, Co Knol en Willem Brakeboer, staan in het zompige weiland te kijken hoe het werk verloopt, maken hier en daar een praatje. Vanochtend zijn ze om 8.15 uur vertrokken met een busje vanaf station Alkmaar-Noord, een half uur later waren de mannen aan het werk. Om 12.30 uur is er een half uur pauze en kunnen de mannen een broodje eten in de keet verderop. Om 15.30 uur vertrekt de bus weer naar huis, en is Jonker vrij. 'Er loopt van alles tussen', legt Brakeboer uit, terwijl hij naar de mannen wijst die door de bosjes lopen. 'Zeden, oplichting, vechtpartijen, fraude, wit, zwart, chinees, en gestoord, wij zien alles langskomen. Steeds zwaardere jongens, dat wel.'

Maar het gaat goed, verzekert de werkmeester. 'We hebben bijna nooit gedonder.' Daarom zijn hij en zijn collega's ook zo geschrokken van de berichtgeving over misstanden bij een werkproject in de regio Utrecht. Daar zouden taakgestraften nauwelijks iets uitvoeren, openlijk kunnen blowen en bellen, en zelfs werkmeesters hebben omgekocht. Het onderzoek is nog in volle gang, maar Brakeboer en Knol kunnen niet geloven dat hun collega's zich voor een paar centen onder druk hebben laten zetten. 'En als het waar is, dan betekent dat de doodslag voor de taakstraf. Dan zijn we al onze geloofwaardigheid kwijt', bromt Brakeboer. 'Een taakstraf is namelijk een straf, geen geintje. Er moet worden gewerkt, punt.'

En het helpt, zo'n straf, vinden de werkmeesters, althans voor de meeste jongens die zij onder hun hoede krijgen. 'Vroeg opstaan is al een straf op zich, dat is één. De jongens komen in een structuur, leren wat werken is. Mensen die werk hebben, moeten vakantiedagen opnemen. Ze schamen zich kapot. Natuurlijk zitten er ook onverbeterlijke gasten tussen die maling aan alles en iedereen hebben. Die mogen ze van mij in detentie stoppen. 85 procent van de werkstraffen slaagt. De meeste jongens zie ik één keer en daarna nooit weer.' Dat geldt niet voor Jan ter Braak die voor de tweede keer in twee jaar een werkstraf van dertig uur heeft gekregen wegens een vechtpartij. Hij is blij dat hij mag werken. 'Lekker buiten is beter dan binnen.' Voor kleine delicten - 'en wat is nou een vechtpartijtje' - is de werkstraf een goed alternatief voor de gevangenis, vindt Ter Braak. Maar zwaardere jongens wil hij niet te zien krijgen. 'Zoals die vent die z'n vriendin in de fik heeft gestoken. Die moeten ze ophangen.'

Alle namen van de daders in dit verhaal zijn om redenen van privacy gefingeerd.

Miek Smilde is journalist.

Roel Visser is fotograaf.

[streamers]

Wonen, werk, wijf. Dat waren decennialang de drie W's van de reclassering. Geen betere remedie tegen de criminaliteit dan het burgerlijk bestaan.

'Wij proberen een mini-netwerk om iemand heen te leggen, opdat hij weer een beetje op het spoor komt.'

'Er verschijnen prachtige rapporten. Maar dan? Wat hebben we dan te bieden? Waar is het werk en waar is de woning?'

'Zeden, oplichting, fraude, wit, zwart, Chinees en gestoord, wij zien alles langskomen. Steeds zwaardere jongens, dat wel.'