Probeer Afrika niet te redden, probeer het te begrijpen

Afrika wordt meestal beschouwd als een probleem dat het Westen moet oplossen. Tot nu toe met weinig succes. Het heeft geen zin om nog meer geld in Afrika te pompen, we moeten ons best doen om het continent te begrijpen.

Opnieuw kijken de smekende ogen van Afrikaanse moeders en kinderen ons aan vanaf het televisiescherm. Ze zijn arm en uitgehongerd. Ditmaal gaat het om Darfur in Soedan, maar de afgelopen dertig jaar zijn dergelijke beelden uit heel Afrika tot ons gekomen. Vorig jaar was het Liberia, het jaar daarvoor Congo. Daarvoor weer waren er Sierra Leone en Somalië, en nog langer geleden opnieuw Soedan. En geen van ons kan Mozambique en Ethiopië vergeten. Een paar kunnen zich Biafra nog herinneren, de staat die zich in 1970 van Nigeria afscheidde en ons de eerste vreselijke televisiebeelden schonk van kinderen met opgezwollen buikjes en benen als stokjes. Waarom kan dit blijven gebeuren? Is Afrika op de een of andere manier veroordeeld tot eeuwige honger en armoede? Kunnen we er niets aan doen? Kunnen we deze ellende niet snel en voor altijd uit de wereld helpen?

Het antwoord luidt: nee, dat kunnen we niet. Alleen de Afrikanen zelf kunnen Afrika veranderen. Wij kunnen helpen de honger en de armoede te verlichten door noodhulp te geven, maar de grote veranderingen die nodig zijn om een einde te maken aan honger en armoede, kunnen alleen van binnenuit komen. En dat zal ook gebeuren, want het continent is natuurlijk niet tot eeuwig lijden veroordeeld. Buitenstaanders moeten niet proberen Afrika te ontwikkelen, maar moeten helpen de hindernissen die deze veranderingen in de weg staan te verwijderen en zich onthouden van activiteiten die het voor Afrika moeilijk maken zich te ontwikkelen. Het is een zaak van lange adem, geen snelle bliksemactie. In de tussentijd moeten we doen wat we kunnen – zonder de zaken erger te maken.

Omdat die Afrikanen in Darfur, Liberia en Congo er zwak en kwetsbaar uitzien, komen we gemakkelijk in de verleiding om te denken dat Afrika ook zwak en kwetsbaar is. We kunnen gaan denken dat we Afrika kunnen redden. Als een tv-camera een kamp in Darfur kan bereiken, moet een kom voedsel dat ook kunnen.

Maar het redden van mensenlevens is pas het begin. Als we die levens echt willen verbeteren en willen zeker stellen dat die mensen over vijf jaar niet weer in dezelfde positie verkeren, moeten we Afrika beter leren begrijpen en zowel de sterke als zwakke kanten ervan leren kennen. En we moeten Afrika respecteren.

De beelden van armoede en hopeloosheid die we op de televisie zien, weerspiegelen niet de hele werkelijkheid. Als er verschrikkelijke overstromingen zijn in Frankrijk, denken we niet dat Frankrijk permanent onder water staat, omdat we andere, vrolijker beelden van Frankrijk voor ons geestesoog hebben. Maar de meesten van ons kennen geen andere beelden van Afrika, dus daarom geloven we dat heel Afrika honger lijdt. Diverse vrienden van mij zeiden, nadat ze voor het eerst in Afrika waren geweest: ,,Ze gaan helemaal niet allemaal dood van de honger.'

De media concentreren zich op oorlogen en menselijk lijden. Dat is hun taak, maar voor een evenwichtiger beeld moeten we ook iets weten over de landen waar vrede heerst en die het vrij goed doen. De eerste les is dat Afrika buitengewoon ingewikkeld en divers is. Het is waarschijnlijk het meest gevarieerde continent op aarde, het is dan ook gevaarlijk om te generaliseren. Zelfs als je het alleen hebt over het Afrika ten zuiden van de Sahara, en Noord-Afrikaanse staten als Egypte, Libië en Algerije buiten beschouwing laat, is het verre van homogeen. Mozambique lijkt in niets op Soedan, en Somalië is heel anders dan Sierra Leone. Sommige delen van Afrika functioneren goed. Botswana heeft bijvoorbeeld geen hulp nodig en heeft omvangrijke reseves aan buitenlandse valuta. In Ghana is het leven de laatste paar jaar sterk verbeterd.

In de slechte delen verschillen de oorzaken van honger en lijden van geval tot geval, maar wat die gevallen allemaal gemeen hebben is de oorlog. Slechts zelden leidt de natuur tot hongersnoden en als dat gebeurt, zijn er legio waarschuwingssignalen. Een groot deel van Afrika is moeilijk bewoonbaar. Het klimaat is vaak onvoorspelbaar; het ene jaar gunt de regen je een perfecte oogst, het andere jaar blijft de regen uit en weer een ander jaar worden je zaden weggespoeld door overstromingen. Maar de Afrikanen zijn daaraan gewend en hebben slimme methodes ontwikkeld om met de grilligheid van de natuur om te gaan.

Maar burgers kunnen zich niet tegen de oorlog beschermen. Als het schieten begint, moet je vluchten en als je vlucht, heb je geen onderdak en geen voedsel, en raak je snel uitgeput en verzwakt, zodat je sterft. Ik schat dat 95 procent van de slachtoffers van Afrikaanse oorlogen vrouwen, kinderen en ouderen zijn, die overlijden aan ziekten en honger; meestal eenvoudige ziekten zoals diarree. Dat zijn de mensen die we op de televisie zien.

Die oorlogen zijn noch onvermijdelijk noch eindeloos. Tien jaar geleden waren er oorlogen vanaf de noordoostpunt van Afrika, Somalië, dwars door Soedan en Congo, tot aan Zuid-Angola. Bijna de helft van de Afrikaanse landen was in oorlog of betrokken bij een oorlog van de buurlanden. Vandaag de dag zijn de meeste van die oorlogen afgelopen of tijdelijk stilgelegd. Soedan is op dit moment het enige grootschalige conflict. De andere oorlogen kunnen weer opflakkeren, maar de zaken staan er beter voor dan voorheen.

De Afrikaanse oorlogen zijn een verlengstuk van de rommelige Afrikaanse politiek. Sommigen geven daarvan de vroegere koloniale machten de schuld. Zij zien de problemen van Afrika als het uitvloeisel van een eeuwenlang proces van uitbuiting en onderdrukking, dat teruggaat tot de dagen van de Europese slavenhandel. Anderen wijten de Afrikaanse problemen aan de slechte leiders.

In beide zienswijzen schuilt een kern van waarheid, want het tegenwoordige Afrika is het product van de vergiftigde interactie tussen interne en externe factoren. Afrika was geen paradijs voordat Europese handelaren neerstreken aan de westkust en Arabische handelaren de oostkust op en neer voeren, maar veel van de problemen stammen van de geografische indeling van het continent die honderd jaar geleden door zes koloniale machten werd overeengekomen.

Aan het begin van de 20ste eeuw breidden de Europeanen hun gezag langzaam uit naar de binnenste delen van Afrika, maar hun heerschappij was van korte duur – op veel plaatsen nauwelijks vijftig jaar. Zij duurde net lang genoeg om de oude regeringsvormen te vernietigen, maar niet lang genoeg om nieuwe regeringsvormen wortel te laten schieten. Na de Tweede Wereldoorlog werd de imperialistische heerschappij plotseling beeindigd door het samengaan van Afrikaans nationalisme en Amerikaanse druk. Begin jaren '60 werden tientallen nieuwe staten opeens onafhankelijk, toen de vertrekkende Fransen, Britten, Belgen en Italianen snel vlaggen, volksliederen en zelfs namen aan de nieuwe staten gaven. Zij richtten parlementen en legers op, alsmede luchtvaartmaatschappijen en nationale banken. De Afrikanen zelf hadden weinig of geen bemoeienis met de totstandkoming of ontwikkeling van hun nieuwe staten. De Nigerianen waren het er onderling niet over eens wat voor land Nigeria moest worden. De Ivorianen mochten niet meepraten over de grondwet van Ivoorkust.

De huidige 52 staten hebben weinig binding met de geografische en etnische realiteit. Het gevolg is een kluwen van machtsstrijd en corruptie, waarin meedogenloze dictators en aspirant-dictators etnische en religieuze verschillen exploiteerden om aan de macht te komen. De eerste twintig jaar van het onafhankelijke Afrika vielen samen met de Koude Oorlog, waarin de Sovjet-Unie en het Westen probeerden Afrikaanse vazalstaten te werven. Voor beide kampen deden democratie, mensenrechten en economisch beleid weinig ter zake, ,,zolang je maar aan onze kant stond'. Sommige Afrikaanse leiders slaagden erin het ene kamp tegen het andere uit te spelen, en andere leiders wisselden zelfs van kamp om te overleven. Velen bewezen slechts lippendienst aan de ene ideologie of de andere, en gingen er vervolgens met de hulp vandoor.

De Koude Oorlog werd gevolgd door een decennium van veronachtzaming, toen regeringen, bedrijven en ontwikkelingsorganisaties hun aandacht verschoven van Afrika naar Oost-Europa. Momenteel is er enigszins sprake van een wederopleving van de belangstelling voor Afrika. Dat is een welkome ontwikkeling, die echter in sommige gevallen helaas wordt gedreven door een soort zendingsdrang om Afrika van zichzelf te redden, ofwel Afrika tegen de Afrikanen te beschermen. Tony Blairs omschrijving van Afrika als een ,,litteken op het geweten van de wereld' en Bob Geldofs schildering van Afrika als een hopeloze ruïne, passen allebei goed in het straatje van de hulpverleners. Met een overmaat aan morele inspiratie, maar ook met een gebrek aan begrip, willen de moderne missionarissen een nieuw Marshall Plan lanceren dat het continent moet redden, net zoals de Amerikaanse dollars de wederopbouw van Europa na de Tweede Wereldoorlog mogelijk hebben gemaakt.

Dat is een rampzalige benadering. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog bevonden zich tussen de puinhopen miljoenen goed opgeleide en gedisciplineerde mensen. Het ontbrak hun slechts aan het kapitaal om de wederopbouw van Europa ter hand te nemen. Afrika is vandaag de dag nog steeds in beroering. Relatief weinig Afrikanen beschikken over de kennis of de vaardigheden om hun land te ontwikkelen, en de overheden of andere nationale instellingen zijn niet in staat hun energie in goede banen te leiden.

Het gaat erom iets nieuws op te bouwen, en dat is iets anders dan wederopbouw. Er kan een moment komen waarop de rest van de wereld zwaar in Afrika moet investeren, zowel in de infrastructuur als in de mensen, maar dat kan pas als we begrijpen waarom de hulp in het verleden niet heeft gewerkt.

Afrika heeft sinds begin jaren '60 al diverse malen een Marshall Plan gehad en kan daar geen resultaten van laten zien. Ik ken geen enkel door buitenlandse hulporganisaties opgezet project in Afrika dat is overgedragen aan de Afrikanen en nu succesvol verder kan zonder verdere hulp van buiten. Door Afrika te overspoelen met nog meer geld, kunnen de zaken er zelfs op achteruitgaan.

Daarom moet de rest van de wereld niet proberen Afrika te redden, maar het te begrijpen. Omdat het grootste deel van Afrika het slecht doet en het beeld van oorlog en chaos bezoekers afschrikt, droogt onze kennis van het continent op. In Groot-Brittannië en Frankrijk sterft de laatste generatie mensen uit wier loopbaan in Afrika begon. Zij die hun carrière begonnen als districtsofficier of politieman in landen als Oeganda, Gabon en Zambia zijn niet langer onder ons. Zij hadden misschien een koloniale houding, maar spraken wel op zijn minst één lokale taal; velen van hen begrepen de interne dynamiek van Afrika. Hun institutionele geheugen is nu verloren gegaan en wordt niet vervangen.

Hulpverleners hebben kortetermijnagenda's en willen zich vaak slechts op één project richten, zonder de politieke of sociale context daarvan ter discussie te stellen. Anderen, die voor buitenlandse overheden en bedrijven werken, bewegen zich heen en weer tussen kantoren met airconditioning, terreinwagens met vierwielaandrijving en luxehuizen in de voorsteden. Hun betrokkenheid bij het echte Afrikaanse leven is minimaal. Jonge mensen die tussen de middelbare school en de universiteit een jaar lang op reis gaan, blijven vaak maar kort, zijn voortdurend onderweg en gaan geen relaties aan. Bij de westerse ministeries, universiteiten en NGO's gaat de kennis over Afrika met de dag achteruit. Die kennis zou kunnen worden aangevuld vanuit de diaspora, door de Afrikanen die in westerse landen wonen, maar naar hen wordt gewoonlijk nauwelijks geluisterd.

Afrika geniet onder onze politici ook geen hoge prioriteit. Neem Darfur. De mensen raakten pas geïnteresseerd door de vreselijke televisiebeelden – en toen was het eigenlijk al te laat. De oorlog is vorig jaar februari begonnen. Berichten over gruweldaden sijpelden in juni en juli voor het eerst binnen. In november was er sprake van een gestage stroom berichten en het Franse dagblad Le Monde bracht begin dit jaar een groot artikel over de situatie. Dat was de openbare berichtgeving. Maar wat rapporteerden buitenlandse diplomaten en agentschappen van de Verenigde Naties in deze periode aan hun hoofdkwartier? Dat zouden we moeten weten. Als ze Darfur negeerden, deden ze hun werk niet goed. Als ze wel alarm sloegen, zouden hun bazen op het matje geroepen moeten worden wegens het negeren van de signalen, net zoals Kofi Annan, Bill Clinton en andere wereldleiders deden tijdens de Rwandese genocide in 1994.

Maar ook als ze wel tussenbeide kwamen, hebben buitenstaanders dikwijls precies de verkeerde dingen gedaan of een paar levens gered, terwijl ze een veel groter probleem in het leven riepen. Het ernstigste voorbeeld daarvan is de Amerikaanse invasie in Somalië van 1992. De Amerikanen zeiden gekomen te zijn om hongerende mensen te redden, maar de voedselsituatie was feitelijk al verbeterd. De ergste hongersnood deed zich voor in het zuidwesten van Somalië, en daar hadden ze via een kleinschalige operatie vanuit Kenia iets aan kunnen doen. In plaats daarvan kozen ze voor landingen langs de kust bij de hoofdstad Mogadishu, in het licht van de televisielampen. Ze hadden weinig onderzoek gedaan naar de facties die elkaar daar bestreden en konden makkelijk door slimme Somalische krijgsheren voor hun karretje worden gespannen. Toen ze ruzie kregen met hun bondgenoot, generaal Aideed, wilden ze hem zo graag te grazen nemen dat ze in de val liepen. In één nacht doodden de Amerikanen ongeveer duizend Somaliërs, maar zij verloren ook achttien soldaten. Daarna verlieten zij Somalië prompt, waardoor het er uiteindelijk slechter aan toe was dan toen zij arriveerden.

Een betere interventie was die van de Britten in Sierra Leone in 2000. Die stabiliseerde de VN-macht en schakelde een rebellenleger uit dat de hoofstad Freetown bedreigde. De overmacht aan vuurkracht overtuigde de meeste rebellen ervan dat het spel uit was, waarop de rebellenbeweging desintegreerde.

Frankrijk kwam in 2002 tussenbeide in de burgeroorlog in Ivoorkust en moet nu de twee kampen gescheiden zien te houden. Maar noch in Sierra Leone noch in Ivoorkust is het probleem opgelost.

Daar komt bij dat buitenlandse interventies en hulp op de langere termijn het Afrikaanse zelfrespect ondermijnen. Het zou veel beter zijn als een Afrikaanse vredesmacht zou ingrijpen om mede-Afrikanen te beschermen en als de Afrikaanse landen zelf voor hun ontwikkelingskapitaal konden zorgen, of dat uit de overboekingen van de overzeese diaspora konden putten.

We moeten Afrika stimuleren zijn eigen redding te bewerkstelligen en ons concentreren op het wegnemen van de hindernissen die we voor de ontwikkeling van Afrika hebben opgeworpen. Er zijn vele manieren waarop ons beleid Afrika schaadt en het ervan weerhouden zich te ontwikkelen. Ik noem er vier.

1) De landbouwsubsidies in het rijke noorden moeten verdwijnen. Zij verstoren de markt en zorgen ervoor dat Afrika – een agrarisch continent – niet in zijn eigen onderhoud kan voorzien. Andere handelsbeperkingen die doelbewust of per ongeluk onze markten gesloten houden voor Afrikaanse producten moeten eveneens worden opgeheven.

2) De rijke wereld moet een einde maken aan het vertrek van wetenschappers en jonge talenten uit Afrika. Je kunt Afrikanen die een beter leven willen niet tegenhouden, maar voor iedere arts of docent die in Afrika is gerekruteerd, moeten er ter vervanging twee worden opgeleid. Er moeten methoden worden ontwikkeld om Afrikanen in Europa in staat te stellen hun vaardigheden en kapitaal aan Afrika over te dragen.

3) Ons bankenstelsel, met name de Britse banken in belastingparadijzen, bevorderen de corruptie in Afrika door gestolen geld te accepteren. Sani Abacha, de vroegere militaire dictator van Nigeria, stalde vrij openlijk tientallen miljoenen dollars op bankrekeningen bij toonaangevende Britse banken, zonder een spier te vertrekken. Toen de Nigeriaanse regering het gestolen geld probeerde terug te krijgen, werd zij daarvan weerhouden door de verouderde Britse wet op het bankwezen. Totdat corruptiegeld wordt behandeld als drugsgeld of geld voor terrorisme, zijn onze overheden medeplichtig aan de verarming van Afrika.

4) De handel in kleine wapens moet strenger worden gereguleerd. Rusland, Oekraïne en andere vroegere sovjetlanden maken de wapens, maar de handelaren leven en werken in West-Europa.

Als deze obstakels voor de Afrikaanse ontwikkeling eenmaal zijn verwijderd, zal het speelveld egaler zijn. Dan verkeren we misschien nog steeds niet in de positie om Afrika beter te maken, maar kunnen we het in ieder geval niet nog meer kwaad berokkenen.

Richard Dowden is journalist en directeur van de Royal African Society in Groot-Brittannië. Hij heeft heel Afrika bereisd en over vrijwel elk land geschreven.