Niet kunnen wegkijken

Ik maak uitsluitend saaie vakantiefoto's. Goed, vrienden staan er wel eens op, maar verder is het een tamelijk eentonige reeks van idyllische landschappen; bergen, stranden, rotsen, regenwoud, woestijn, gebouwen en dieren. Maar portretten van mensen? Dat lieve oude vrouwtje, als een appeltje zo gerimpeld, in haar interieur van één houten stoel en tafel? De man in het bergdorp, van top tot teen in klederdracht? Die veel te dikke rednecks – duidelijk inteelt – bij een Australische benzinepomp? Veel te gênant. Ik heb me nooit over mijn schroom kunnen heenzetten om zelf het soort foto's te maken dat ik bij anderen altijd het interessantst vind. Op het moment dat je afdrukt, weet je tenslotte dat je de ander tot bezienswaardigheid maakt, een exotisch specimen voor de mensen thuis. En die ander weet dat ook. Hoe kun je zo iemand dan nog in de ogen kijken, al is het maar door een lens?

Tijs Goldschmidt stelde als gastconservator van het Frans Halsmuseum in Haarlem een tentoonstelling samen, `Wegkijken', die precies over dit onderwerp gaat: schaamte in de fotografie. Daarbij gaat het niet zozeer om foto's van zich schamende mensen – daarvan bleken er nauwelijks voorhanden te zijn in het Spaarnestad Fotoarchief waaruit hij zijn selectie maakte – maar vooral, en interessanter, foto's die (plaatsvervangende) schaamte oproepen bij de kijker. Vaak is de fotograaf zelf `dader', of op z'n minst passief medeplichtig aan het tafereeltje dat hij vastlegt – en met hem de kijker. `Op veel van de foto's die ik selecteerde zijn grofweg twee partijen te zien', schrijft Goldschmidt in zijn inleiding, `die je zou kunnen stereotyperen als dader en slachtoffer. Zodra ik me op een of andere manier met de dader kon identificeren, maar verwierp wat hij deed, voelde ik naast verontwaardiging ook plaatsvervangende schaamte.'

Een zo'n foto toont een stelletje dat tegen een schuurtje staat, betrapt op een intiem moment: hij tilt haar rok op, kijkt lachend naar de camera; zij kijkt naar beneden, probeert zijn hand omlaag te duwen. `Het is een beeld waarvan ik geneigd ben weg te kijken, omdat ik me ertegen verzet ongevraagd voyeur te worden', schrijft Goldschmidt, `terwijl ik tegelijkertijd mijn ogen [er] niet van kan afhouden.' Als de man op de foto nu maar naar haar had gekeken in plaats van in de lens, dan was het beeld minder ongemakkelijk geweest, stelt hij: `Zijn blik maakt mij medeplichtig en daardoor de foto in meerdere opzichten geladen met schaamte.' Dat gevoel van medeplichtigheid is cruciaal, en het geeft ook meteen het verschil aan met foto's die vooral afschuw of verontwaardiging oproepen – de kijker blijft dan buiten schot.

Afgelopen voorjaar zag ik in Parijs misschien wel de meest schaamteverwekkende foto die mij ooit onder ogen is gekomen. Het was op een tentoonstelling over de Algerijnse oorlog in het Patrimoine Photographique, `Photographier la guerre d'Algérie'. Hoewel er eind jaren '50, begin jaren '60 nog niet het keiharde soort nieuwsfoto's van nu werd gemaakt, was het geen expositie die je makkelijk van je afschudt. Er hingen vooral reportagefoto's, afgewisseld met pagina's uit tijdschriften en kranten van toen en ander documentairemateriaal, maar ook foto's genomen in opdracht van het leger. Zoals de bekende portretten van berbervrouwen van Marc Garanger, die internationaal veel tentoongesteld zijn. Garanger moest als soldaat de inwoners van een aantal dorpen fotograferen, waarbij de vrouwen steeds gedwongen werden hun sluiers af te leggen – tot schaamte van zowel de gefotografeerden als van de fotograaf, die schrijft over hun blik van `zwijgend, heftig protest'. `Ik wil ze huldigen', is de laatste regel van zijn boek over de vrouwen.

Garanger was een uitzondering. Een wand verder waren meer foto's van soldaten, privé-foto's. Lachende jongens, de hele compagnie bij elkaar, of een groepje op een jeep. Ernaast hingen brieven – misschien waren deze kiekjes wel naar familie of vrienden gestuurd. En daar was 'ie dan, bijna onopvallend, zwart-wit, zo'n acht bij acht centimeter. Twee lachende Fransen voor een lemen hutje in de woestijn. Tussen hen in een spiernaakte Algerijnse, haar lange zwarte haar in twee strengen over haar schouders. Haar armen worden omhooggehouden door de jongens op een manier die haar dezelfde houding geeft als de man met de puntmuts en zijn elektroden aan zijn handen, van Abu Ghraib. Iets verderop staat een derde, lachende jongen. Volgens het onderschrift ging het om de geliefde van een Algerijnse rebellenleider. Ze werd door de soldaten vastgehouden voor `verhoor'; er is niet bekend wat er van haar is geworden, al laat het zich raden.

De soldaat (`anoniem') die deze foto nam, moet al even geamuseerd zijn geweest over het tafereeltje als de makkers die hij fotografeerde. Dezelfde trots en kameraadschap, gecombineerd met dezelfde onverschilligheid en walging tegenover het object van hun gelach, en een zekere seksuele frisson, als je ziet in de kiekjes van Abu Ghraib. Het was zo onvoorstelbaar gênant dat ik er niet eens naar durfde te kijken terwijl andere bezoekers van de tentoonstelling – veel jonge Algerijnse intellectuelen – naast me stonden. Dat had niets meer te maken met politieke correctheid, Westerse schuldgevoelens, de angst om voor neo-imperialistisch versleten te worden, nee, net als bij veel van de foto's van Goldschmidt schaam je je simpelweg voor je eigen soort. Je schaamt je omdat je mens bent. En daar is niet meer voor nodig dan één beduimeld kiekje uit een anoniem fotoalbum.