Het strenge moralisme van Vladimir Nabokov

In twaalf afleveringen schrijft schaker Hans Ree over de grote geesten die zijn leven hebben beïnvloed.

Als je de foto's bekijkt van Vladimir Nabokov (1899-1977) zie je twee verschillende mensen. Als kind in Rusland en later als volwassene in Berlijn is hij mager en op de Duitse foto's vallen zijn kleren zelfs zo ruim dat het lijkt of hij daar niet genoeg te eten had, wat misschien ook zo was. Hij kijkt op al die foto's al zelfverzekerd, maar ook kwetsbaar en vaak een beetje droevig.

De Amerikaanse Nabokov is robuust. Nog niet in 1940, het jaar dat hij in de Verenigde Staten aankwam, maar na de oorlog kon hij zich lachend laten fotograferen bij een bord met de tekst 'Feed Europe'. Bij deze Europeaan was dat goed gelukt, zozeer zelfs dat hij zijn nieuwe lijf vergeleek met dat van een dolfijn.

Hij lacht vaak op die Amerikaanse foto's en ook later, als hij in Montreux woont. Breed en geharnast is hij de beroemde 'Vladimir Nabokov' geworden, het personage dat hij speelt als de interviewers komen.

Hij stelde harde eisen aan zijn interviewers; ze moesten hun vragen van tevoren inleveren en zijn antwoorden, die hij altijd opschreef, letterlijk afdrukken. Als ze aan zijn wensen tegemoet kwamen, konden ze rekenen op een geslaagde voorstelling. Het personage Nabokov maakte goede grappen, leverde krasse opinies over de vele schrijvers en denkers die hij minachtte en bij de wat meer geleerde interviewers wilde hij ook nog wel serieus ingaan op zijn eigen werk.

Het ligt voor de hand om de transformatie aan het succes toe te schrijven, maar er is ook een eenvoudiger verklaring. In 1945 stopte hij met roken en de vier pakjes per dag die hij soms gebruikte werden ingeruild voor snoep. Het verschil was meer dan 25 kilo.

Ook ligt het voor de hand om te denken dat de magere en kwetsbaar ogende Nabokov van voor 1945 de echte schrijver was, die later verstopt werd in de robuuste komediant. Zo denk ik niet. Ik vind alles wat hij schreef prachtig, maar het meest houd ik van twee boeken die hij in de Verenigde Staten schreef, Lolita en Pale Fire. Dat waren trouwens ook de favorieten van Nabokov zelf.

Glimp van het paradijs

Ik las Lolita toen ik zestien was en het moet uit verveling zijn gebeurd, in een Italiaans badplaatsje waar ik met mijn vader en mijn zusje was. In de trein had ik voor het eerst de Zwitserse bergen gezien en later de Italiaanse stations, waar je niet alleen kon zien maar ook ruiken dat het er anders en beter was dan in Nederland. We reden langs kustplaatsjes waar je heel even een strandje zag en intrigerend menselijk leven, een glimp van het paradijs. Van onze vakantiebestemming zelf herinner ik me alleen dat er een hond was die een keer met een stok werd geslagen en dat ik het boek Lolita kocht.

Van de schrijver had ik nog nooit gehoord, maar er zat een geel bandje omheen waarop stond dat Graham Greene het een prachtig boek vond. Die kende ik wel.

Het was een uitgave in de min of meer scandaleuze Traveller's Companion serie van de Franse Olympia Press van Maurice Girodias, helaas geen eerste druk. Het was al 1961. Nadat Girodias in 1955 in Frankrijk de weg had gebaand, kon het boek in 1958 ook in de Verenigde Staten verschijnen. Nabokov was er al beroemd door geworden, maar dat wist ik niet. Ik las Lolita en besloot dat ik alles wilde lezen wat Nabokov geschreven had.

Ik vraag me af hoeveel ik er toen van begrepen heb. Was mijn Engels wel goed genoeg? Of mijn Frans, gezien Humbert Humberts irritante gewoonte om Franse zinnen door zijn verhaal te gooien? Van de toespelingen en woordspelingen die ik later door Alfred Appel verklaard zag in The annotated Lolita moet ik het meeste gemist hebben, maar dat gaf niet, want ik was verrukt door wat ik wel begreep.

Er was ook nog iets anders dat ik verkeerd begreep en dat was ernstiger dan het missen van literaire toespelingen. Ik had sympathie voor Humbert Humbert en bewonderde zijn eruditie, zijn gevoel voor humor en zelfs zijn pedanterie, want daar was ik zelf ook niet vrij van. Ik zag dat Humbert zijn vrouw wreed om de tuin leidde, een moord op haar beraamde en haar in feite ook de dood indreef, en dat hij Lolita van haar jeugd beroofde, maar dat alles vergaf ik hem door zijn geestigheid.

Ik dacht toen dat ook Nabokov sympathie voor hem moest hebben en dat had ik mis. Zijn charmante schavuiten, zoals Humbert Humbert en Van Veen, de hoofdpersoon uit Ada, vond Nabokov zelf verachtelijk.

Hun charme verblindt ons en hoewel Nabokov er tegen gewaarschuwd heeft, lopen we in de val en identificeren we ons met hen, tot we beseffen dat het monsters zijn.

De wreedheid, die hij de slechtste eigenschap van de mens noemde, is een belangrijk thema in het werk van Nabokov. Hij steekt de wreedheid in aantrekkelijke kleren, met de bedoeling dat de lezer er ten slotte doorheen kijkt. Sommige lezers die daartoe niet in staat waren, hebben Nabokov zelf van wreedheid beschuldigd.

Over lijken

Ada, zijn langste en wonderlijkste roman, die hij liefkozend 'Nabokov's Folly' noemde, is terecht een boek over het geluk genoemd. Het is ook een boek over achteloze wreedheid, over geluk dat over lijken gaat.

De hoofdpersonen Van Veen en Ada Veen zijn officieel neef en nicht, maar in werkelijkheid broer en zus, wat zij al aan het begin van het boek ontdekken, hoewel de lezer dat dan nog niet snapt. De verteller van het boek is Van, we lezen zijn memoires. Soms neemt Ada het even over.

Over de aard van hun geluk leren we iets in een scène die zich afspeelt als Van achttien jaar is. Het is vier jaar nadat hij zich met Ada voor het eerst heeft overgegeven aan wat Ada later beschrijft als 'de machinerie die onze voorvaderen het geslachtsverkeer noemden'. Van is terug op het landgoed waar Ada woont. Na een picknick gaan ze in een rijtuig naar huis, samen met Lucette, een halfzusje van Van en Ada. Die weet van hun verhouding en is er door geobsedeerd. Haar hele leven zal zij wanhopig verliefd zijn op Van.

Lucette is lief en mooi. In het rijtuig voelt Van haar compacte billen en koele dijen, hij pakt haar zachte heupen en het is alsof hij Ada's heupen pakt; Ada is als het ware verdubbeld, ze zit naast hem en ze zit op zijn schoot als Lucette. Van kust een arm van Lucette, wrijft tegen haar op en komt bijna klaar, maar een trekkend spiertje bij zijn knieschijf weet dit nog net te voorkomen. Hij schrijft (het zijn immers zijn memoires die we lezen): 'Vele, o vele, vele jaren later herinnerde hij zich verbaasd (hoe had hij zo'n verrukking doorstaan?) dat ogenblik van totaal geluk.'

Lucette zal later alles doen om Van te veroveren. Ze is voorbeeldig van fijngevoeligheid en bescheidenheid, intelligent en beeldschoon. Van wil haar niet, hij wil haar in ieder geval niet genoeg. Ten slotte pleegt Lucette zelfmoord. 'We hebben haar doodgepest met onze spelletjes', zegt Ada later.

In 'dat ogenblik van totaal geluk' dat Van zich later verbaasd herinnert, wordt Lucette eigenlijk al doodgepest. Het geluk maakt blind en doof voor het lijden van anderen die van dat geluk buitengesloten zijn.

Vliegend tapijt

Nog een voorbeeld. De jonge Van en Ada zweven vrolijk op een vliegend tapijt boven hun paradijs - de technologie van het Amerika-Rusland waar zij wonen is bijzonder vreemd. De paniek die ze op de grond veroorzaken is voor hen niet meer dan een bron van vermaak. Van schrijft later: 'Hoe komisch de slingerende, greppelduikende fietser, hoe bizar de armwiekende, uitglijdende schoorsteenveger.'

Behalve de fietser en de schoorsteenveger zijn er meer slachtoffers van zijn achteloze wreedheid, maar ze vallen de lezer in eerste instantie nauwelijks op, omdat die in de ban is van Van's charme en intelligentie.

Dat ook een schrijver wreed kan zijn, wist Nabokov heel goed. Als kind had hij met veel plezier Cervantes' Don Quijote gelezen, maar toen hij het boek opnieuw las voor colleges die hij in 1952 aan de Harvard universiteit gaf, kreeg hij er een afkeer van. Cervantes beschreef niet alleen de wreedheden die de Don moest ondergaan, maar volgens Nabokov was het ook zijn bedoeling om bij zijn lezers een vulgair leedvermaak op te wekken. Nabokovs Lectures on Don Quixote werd een polemiek tegen het leedvermaak en tegen een schrijver die daar behagen in schiep.

Nabokov was in 1919 uit Rusland gevlucht voor de bolsjewieken en in 1937 met zijn joodse vrouw Vera uit Duitsland voor de nazi's. Zijn vader was vermoord door een Russische rechtse extremist en een van zijn broers door de nazi's. Het is begrijpelijk dat hij weinig tolerantie had voor het lachen om andermans leed.

In een van zijn televisieinterviews zei Nabokov: 'In feite denk ik dat er op een dag een herwaardeerder zal komen die zal verklaren dat ik allerminst een frivole vuurvogel was, maar een strenge moralist die de zonde geselde, stompzinnigheid bevocht en vulgaire mensen en wreedaards belachelijk maakte - terwijl hij soevereine macht toekende aan tederheid, talent en trots.'

Ik stel me voor dat hij er bij lachte, alsof het maar een grapje was, want dat deed hij vaak als hij de waarheid sprak.