Het Romantisch vernis geschrapt

De Franse mentaliteitshistoricus en mediëvist Jacques Le Goff werd gisteren de Heinekenprijs toegekend. Hij maakte korte metten met het romantische beeld van de middeleeuwen.

`NOG ALTIJD in het oude Frankrijk verschijnt de kathedraal eerder aan de horizon dan de stad'. Zo luidt de eerste zin van een prachtig essay over de geschiedenis van een denkbeeldige kathedraal door de kunsthistoricus, priester en estheet Frits van der Meer. Als jongen heb ik dat boek stukgelezen. Niet alleen schilderde Van der Meer in zijn `Geschiedenis eener kathedraal' (1940) in een weelderig proza de geschiedenis van een intrigerend soort gebouw, maar hij gebruikte die schildering vooral om de diepgelovige samenleving te evoceren waarin dergelijke religieuze kolossen gebouwd konden worden. De kathedraal was de verbeelding in steen van een wereld van eenheid, orde en harmonie: harmonie tussen hemel en aarde, geloof en rede, tussen de koning en zijn edelen, tussen de heer en zijn horigen, de meester en zijn gezellen, de pastoor en zijn kudde. Het was een wereld die bij Van der Meer, en dus ook bij zijn lezer, gevoelens van heimwee en nostalgie opriep.

Met die verdwenen wereld wilde ik in mijn geschiedenisstudie nader kennismaken. Maar die nadere kennismaking bleek totaal anders te verlopen dan ik verwacht had. Door een toeval kreeg ik het toen zojuist verschenen boek van Jacques Le Goff over de beschaving van de Middeleeuwen in handen: `La Civilisation de l'Occident médiéval' (1964). Al in het voorwoord zette Le Goff mij met beide benen op de grond, door te laten zien dat mijn Middeleeuwen een `légende dorée' waren, een gulden legende, een erfenis van de Romantiek toen Europa heling vond voor de diepe wonden van de Franse revolutie door op zoek te gaan naar de verloren harmonie van de Middeleeuwen, de tijd dat Europa zich veilig kon koesteren onder de vleugels van paus en kerk.

Met die Middeleeuwen maakte Le Goff korte metten. Hij ontkende niet dat er in de Middeleeuwen prachtige kathedralen gebouwd waren, noch dat troubadours hun verre geliefden in roerende gedichten bezongen hadden. Maar hij bleef er op hameren dat deze producten van een geraffineerde cultuur slechts een oppervlakkig laagje vormden bovenop een wereld die eigenlijk schriftloos en onderontwikkeld was. In zijn boek wilde hij dat vernis wegschrappen om de lezer te laten kennismaken met `un Moyen Age des profondeurs, des fondements, des structures'. Daarmee plaatste Le Goff zich in de traditie van het Franse tijdschrift Annales. Rondom de Annales had zich al voor de Tweede Wereldoorlog een groep van historici verzameld die de oppervlakkige politieke geschiedschrijving de rug toekeerden en op zoek gingen naar de fundamentele structuren die het menselijk bestaan veel meer bepaalden dan de beslissingen van vorsten en diplomaten, zoals de ligging van het land, verhoudingen tussen de seksen en de vanzelfsprekende clichés van het denken. Het was voor het eerst dat ik deze nieuwe methode toegepast zag op de tijd die ik zozeer bewonderde, de Middeleeuwen. Het gaf mij een schok waar ik nog steeds niet helemaal van bekomen ben.

Zoals ik al zei beschreef Le Goff de Middeleeuwen als een onderontwikkelde samenleving waarin het schrift voor de meeste mensen geen rol speelde, een samenleving waarin mensen de speelbal waren van de natuur en geen notie hadden van het verloop van de tijd, een chaotische en wrede wereld, waarin de strijd om te overleven alles bepaalde. Daarom moesten de Middeleeuwen bestudeerd worden met dezelfde methodes, waarmee nu het leven van primitieve stammen in de oerwouden van Afrika en Zuid-Amerika bestudeerd werd. De echte mediëvist moest op zoek naar de grote massa van boeren, meer dan negentig procent van de bevolking, die, worstelend met een weerbarstige grond, de magere overschotten produceerden waarmee monniken, koningen en kooplieden in leven gehouden konden worden.

Le Goff waarschuwde zijn lezers dat het geen prettige ontdekkingstocht zou gaan worden. In zijn boek zouden zij meer gaan horen over hongersnood, ziekte en gruweldaden dan over heiligen, dichters en kathedralen. Al deze waarschuwingen hielden overigens geenszins in dat Le Goff niet in het intellectuele leven van de Middeleeuwen geïnteresseerd was. Maar bij de grote middeleeuwse denkers interesseerde hem niet zozeer de inhoud van hun uitspraken als wel de manier van denken die daarachter schuilging, Le Goff gebruikt daarvoor een term, die hij overigens aan zijn leermeester Lucien Febvre ontleend heeft, namelijk `outillage mental', het geestelijk gereedschap. Het is niet zo eenvoudig om dat instrumentarium van het denken op het spoor te komen, omdat het datgene in het gedachteleven is wat door iedereen gedeeld wordt en daarom door niemand expliciet wordt beschreven, waardoor het onopgemerkt dreigt te blijven.

Een mooi voorbeeld hiervan is de manier waarop in de Middeleeuwen onderzoek werd gedaan. Middeleeuwse wetenschappers baseerden hun werk niet op observaties of experimenten, maar op geschriften, zij waren voortdurend `en quête d'une autorité dans le passé'. Het was ieders vaste overtuiging dat het eigenlijke werk al in de Oudheid gedaan was en dat latere generaties dat werk alleen nog maar hoefden te becommentariëren en uit te leggen. Heel mooi laat Le Goff zien dat als wij die fundamentele gedachtegang blootleggen er van de Renaissance niet veel overblijft en dat het gebral van de humanisten dat zij licht in de duisternis kwamen brengen op niets berust. Immers hun methode van wetenschap was precies dezelfde als die van de Middeleeuwen, commentaar leveren op klassieke geschriften. Wie zijn blik richt op het niveau onder de uitspraken, ziet met Le Goff dan ook geen Renaissance meer, maar een `long Moyen Age', dat pas in de achttiende eeuw met de `Querelle des anciens et des modernes' eindigt, als observatie van de natuur het commentaar op oude teksten gaat vervangen.

Jacques Le Goff wilde in zijn eerste grote werk afrekenen met de romantische opvatting van de Middeleeuwen. Hij zegt het niet, maar door zijn hele boek heen wordt duidelijk dat volgens hem de romantici onze middeleeuwse voorvaderen eigenlijk niet serieus genomen hebben. Zij schilderden de Middeleeuwse maatschappij af als een paradijs van harmonie en vrede, waarin de menselijke geest moeiteloos de hoogste pieken bereikte. Le Goff stelt daar een grimmige realiteit tegenover. Maar juist door voortdurend te benadrukken dat de middeleeuwse samenleving onderontwikkeld was, dat mensen zich nauwelijks in leven konden houden, dat zij voortdurend door oorlog en ziekte bedreigd werden, bereikt hij dat onze bewondering voor het vele dat zij desondanks tot stand gebracht hebben in die verschrikkelijke eeuwen alleen maar groter wordt. De kathedraal was omringd door de stank van open riolen, maar zij werd gebouwd en staat er nog steeds.

Dit is een verkorte versie van de rede die Peter Raedts deze week uitsprak op een KNAW-symposium over Jacques Le Goff. Raedts is hoogleraar middeleeuwse geschiedenis in Nijmegen.