Geen dag zonder geweer in Spitsbergen

Overal loert de ijsbeer, merkt Doris Grootenboer, tijdens een tripje naar Spitsbergen in de ijzige Barentszzee.

Oververmoeid en onthecht door het verkeerde licht op het juiste tijdstip sjokken we om half twee 's nachts tussen twee barre, 180 graden steil uit de Barentszzee oprijzende bergflanken naar het Spitsbergen Guesthouse in de baai van Longyearbyen; de dagen zullen continu overbelicht blijven. Witte nachten, zei Dostojevski al. Kolen barsten uit de hellingen, roestige pijpen voeren water aan dat op straat klettert, de vreemdste bouwsels, liftjes, en duistere mechanismen lijken tegen de hellingen gekwakt. Ongenaakbaar en desolaat. De temperatuur is even boven nul. Het weer verandert om het kwartier. Een paar dagen op Svalbard, zoals de Noren de eilandengroep noemen, waarvan Spitsbergen de grootste is.

De hoofdstad Longyearbyen telt zo'n tachtig houten huizen, toch nog drie hotels, enkele winkels en het populaire eetcafé Kroa, waar je walviscarpaccio en krabbenpoten kunt eten, maar ook een simpel omeletje of een reusachtige steak. Noren houden van grote porties.

Geen dag mag je hier zonder geweer lopen, zomaar ergens wandelen in de aanlokkelijke valleien met spoelvlaktes is er niet bij. IJsberen kunnen altijd toeslaan. Wordt er een in Longyearbyen gesignaleerd dan gaan het schooltje en de winkels dicht en mag niemand naar buiten tot het dier verdreven is. In '96 nog werd een jong meisje hier door zo'n wit monster gedood. Dat de gidsen met oude Mausers lopen, onderdeel van een partij die na de oorlog van de Duitsers werd gekocht, namen de Spitsbergers de regering niet in dank af. Met die geweren waren veel landgenoten vermoord.

AAIBARE SLEDEHONDEN

De eerste dag hobbelen we in een met rendierbont beklede slede, getrokken door veertien Greenland dogs en Alaska huskies door de verlaten Avonturenvallei. Groots en doods, er zijn hier geen bomen, maar het gebied wordt opgevrolijkt door wollegras met zijn witte bolletjes en geel mos. Als logge olifantspoten staan de bergen in de valleienketens. Een enkel rendier slentert decoratief rond. De honden huilen, krijsen, blaffen, grommen, maar aaibaar zijn ze wel. Ze blijven altijd buiten, ook 's winters. Soms barsten ze in een gevecht uit en stopt de slee. Onze voortvarende menner woont hier al 31 jaar.'s Winters gaat hij op vakantie naar Noord-Noorwegen, want daar is het hem warm genoeg. Italië? Alstublieft, zeg.

En zo jakkeren we in de kou over de tot 300 meter in diepte gevroren permafrostvlakte totdat we van gekookte koffie uit een zwartgeblakerde, in de vlammen hangende ketel en van pannenkoekjes worden voorzien. Svalbard, 76 graden noorderbreedte, hangend onder de noordpoolkap, was tot 1926 lawless country, geëxploiteerd door Nederlanders. Daarna kwam het onder Noorse jurisdictie. Er zijn hier veel Hollandse namen, zoals Smeerenburg, het walvisstation, maar volgens Karl zijn de walvissen hier inmiddels uitgemoord. Er wonen 1.000 Russen, 2.000 Noren en 60 Thailanders. Dieren als de ijsbeer, het rendier, de poolvos en de walrus leven hier. En onnoemlijk veel vogels uiteraard. Voor vis is het water te koud.

's Middags hebben we een vinnig dispuut in een souvenirwinkel waar werkelijk alles van zeehondenbont, van jas, tas, muts, schoen tot beursje is vervaardigd. Wij, belerende Nederlanders beginnen meteen pikhouweel-plastisch over het doodknuppelen der dieren. De verkoopster loopt rood aan en trekt ons mee naar een serie huiden, waar kogelgaten in zitten: ,,Kijk maar, wij doen dat heel humaan!''

AQUAVIT EN BOSLIKEUR

's Avonds is er in een doorrookte hut een hoogst onsmakelijke, peperdure Arctische barbecue, met aquavit en boslikeur, voor welke gelegenheid onze hondenmenner zich plots in een leren broek en rendiergiletje heeft gehuld. Zijn pronte vrouw roert in de met rendiervlees gevulde pannen.

De volgende dag brengen we zes uur op zee door. Kapitein Per, tevens leraar – veel multifunctionele mensen hier – brengt ons op de Longosund door fjorden met aan de einder taupe-kleurige spitse bergketens, waar nevelslierten onderlangs glijden naar het verlaten Russische mijnstadje Piramide. Het is een onwezenlijk decor, goed voor een film noir. Piramide was door Rusland in 1926 van Zweden gekocht; in '96 gebood Jeltsin om duistere reden dat alle Russen direct naar huis moesten; 1.500 mensen vertrokken overhaast.

We wandelen door half opgeblazen industrie, kranen, kromgetrokken rails, vervallen huizen en door een enorm, gescheurd en scheefgezakt Bauhausachtig sportfondsenbad, waar socialistisch werd gezwommen. Houten huisjes en Breznjef-flats, waar de gescheurde vitrage nog wappert, een uitgebrande bus, een grafje van een kat, een bouwsel van 5.000 lege wodkaflessen. Lenin glorieert manshoog in steen. De wuivende grasvlakte is illegaal, geplant met geïmporteerd zaad uit Siberië. De bergen eromheen zijn hardrose en piramidevormig, vandaar de naam. Er zouden nog een paar Russiche spionnen zitten, volgens Per. Piramide is veel interessanter dan Barentszburg, waar we eerst heen zouden gaan, maar dat is ingesloten door pakijs.

BEHOUDEN HUYS

Op de terugweg, langszij de reusachtige gletsjer Nordensjoldbreen – de bemanning schenkt deswegen gratis whisky on-the-rocks en cognac, waar de immer naar alcohol snakkende Noor wel raad mee weet – dreigen ook wij door het plots uit het noorden aangewaaide pakijs te worden gekraakt. Een beetje zoals Willem Barentsz en zijn mannen van Het Behouden Huys, die in 1596 in het ijs vastliep op buureiland Nova Zembla, bezongen door Hendrik Tollens, met zinnen als `Een aantal beeren, van den honger opgestooten,/ Belegert hen in 't huis en houdt hen opgesloten./ En rekt zich, snuivend langs de planken, regt op uit,/ En brult en watertand en reikhalst naar den buit.' Toen ook al ijsberen.

De wind heeft het hele fjord waarin Longyearbyen ligt vol ijs geblazen, iets dat in elf jaar niet is gebeurd. Hoe thuis te komen? Ik hoop dat ons schip niet midscheeps knakt. Per manoeuvreert scherp, met veel gekraak doorsnijdt de boot de grillige groene, witte en azuren glassculpturen. Het is groots, de zee is spiegelglad en lijkt olieachtig door de lage temperatuur; ik sta op een scheepspaal en zie ijsformaties tot zover het oog reikt, volmaakte schoonheid, volmaakt helder weer, en op de dronken Noren na, volmaakte stilte. Ik adem diep geluk. Spitsbergen, gestold landschap, een ruige roerloze droom. Maar het wonderlijkst blijft toch dat de hoog aan de hemel staande zon avond aan avond zelfs geen millimeter ter kimme nijgt.

Vliegen naar Spitsbergen kan niet rechtstreeks vanuit Nederland, wel via Noorwegen, zie ondermeer www.visitnorway.com of www.noors.net