Druk op hedgefunds neemt toe

Hedgefund en investeringsmaatschappij. Deze twee beheren steeds meer geld. Er is vooralsnog weinig inzicht in hun prestaties en managementvergoedingen. Dit lijkt te gaan veranderen.

Als je bij Google de naam van een van 's werelds grootste hedgefunds, Farallon Capital, intypt, leidt een van de eerste links je naar de website Unfarallon.info.

Daarop staat informatie over een campagne, gesteund door studenten van universiteiten in de hele VS, om het in San Francisco gevestigde Farallon te dwingen inzicht te geven in zijn beleggingsgeschiedenis en zijn tarieven, en een lijst van al zijn participaties te publiceren. Farallon beheert een vermogen van 10 miljard dollar voor pensioenfondsen en stichtingen, waaronder die van elite-universiteiten als Yale en Stanford.

Bij een zoekopdracht naar de California First Amendment Coalition (CFAC) is het eerste dat op de website van deze groep opduikt een persbericht, waarin een recente aanklacht tegen Calpers (California Public Employees' Retirement System) wordt toegelicht.

De groep wil dat onthuld wordt welke vergoedingen het grootste pensioenfonds van de VS betaalt aan durfkapitaalfondsen en investeringsmaatschappijen. Een van de CFAC-advocaten stelt dat 'het publiek het recht heeft om te weten waar jaarlijks honderden miljoenen dollars aan managementvergoedingen heengaan.'

De twee campagnes staan los van elkaar, maar hebben wel veel gemeen. Zij vertegenwoordigen een aan kracht winnende beweging waarmee de hedgefunds en investeringsmaatschappijen zich net aan het verstaan zijn. Een groter percentage publiek en institutioneel geld dan ooit tevoren is in hedgefunds en investeringsmaatschappijen belegd, wier gebrek aan openheid - zowel over hun prestaties als over de hoge managementvergoedingen die zij eisen – hen tot een natuurlijk doelwit voor activisme van belangengroepen maakt.

Een bonte meute van universiteitsstudenten, vakbondsvertegenwoordigers, gepensioneerden en journalisten vindt dat zij het recht heeft om te weten hoeveel geld de bestuurders van publieke instellingen betalen voor het beheer van de aan hun toevertrouwde fondsen en hoe goed die beleggingen het eigenlijk doen.

De roep om grotere openheid kan uiteindelijk een groot gevaar gaan vormen voor de alternatieve vermogensbeheerders. Als de activisten in de Verenigde Staten erin slagen grotere openheid af te dwingen – zoals dat ten dele al is gelukt bij instellingen als het reeds genoemde Calpers en de University of Texas Investment Management Company – zal de volgende stap het uitoefenen van druk op de bestuurders van dat soort instellingen zijn. Daardoor kunnen hedgefunds en investeringsmaatschappijen - die er tientallen jaren in zijn geslaagd hun lucratieve economische structuur te behouden – gedwongen worden hun tarieven te verlagen, op straffe van het risico naast de snel groeiende stroom institutioneel geld te vissen, die naar allerlei alternatieve beleggingsinstanties toevloeit.

Tot nu toe heeft de protestbeweging nog niet genoeg kracht ontwikkeld om zoveel druk uit te oefenen. Investeringsmaatschappijen lukt het nog steeds gemiddeld bijna twee procent aan managementvergoedingen in rekening te brengen en 20 procent van de winst op te eisen. Velen van hen hebben onlangs andere vergoedingen omlaag gebracht die zij hun partners oplegden, zoals de zakenbankbonussen die zij in de wacht sleepten bij de tenuitvoerlegging van overnames en de begeleiding van beursintroducties.

Hedgefunds hebben meer geluk gehad, grotendeels doordat de instroom van publiek geld naar deze organisaties een fenomeen van recentere oorsprong is. Sommige uitmuntend presterende hedgefunds hebben hun tarieven zelfs kunnen verhogen.

In één beroemd geworden geval verhoogde het met 8 miljard dollar uitgeruste Medallion Fund, dat wordt beheerd door James Simons' Renaissance Technologies, zijn tarief vorig jaar van 36 naar 44 procent van de winst, aldus Alpha magazine.

Maar de Farallon-zaak toont aan dat de publieke druk op sommige instellingen, waaronder een aantal grote Amerikaanse pensioenfondsen en universiteitsstichtingen, snel toeneemt. Het ligt niet voor de hand dat die druk zal afnemen, tegen de achtergrond van de voorspelling uit de bedrijfstak zelf dat de pensioenfondsen in 2010 80 procent van al het ingelegde geld zullen bijdragen.

Wat zullen de gevolgen zijn van al deze openheid? Voor veel publieke en quasi-publieke instellingen houdt het in dat zij onder grotere druk komen te staan om alleen mog maar voor goede prestaties te betalen.

Het is nog niet helemaal duidelijk wat dit alles voor de alternatieve vermogensbeheerders betekent. De ontwikkelingen kunnen in de hele sector tot tariefsverlagingen leiden, Maar de druk op de instellingen om alleen voor de hoogste kwaliteit te kiezen kan ook een differentiatie opleveren.

De bedrijven die goed presteren zullen overspoeld worden met geld en de bedrijven die slecht presteren zullen hun uiterste best moeten doen, bijvoorbeeld door agressieve tariefsverlagingen, om geld binnen te halen. Iets dergelijks is al gaande bij de investeringsmaatschappijen: beleggers brengen hun geld bij een kleiner aantal fondsen onder en concentreren zich op degenen die het best hebben gepresteerd.

Het is duidelijk dat deze differentiatie op de loer ligt. Iedere

Californische overheidsambtenaar, wiens geld aan Calpers is toevertrouwd, kan nu al zien in welke investeringsmaatschappijen Calpers heeft belegd, en hoe die bedrijven het hebben gedaan.

Uit de gegevens blijkt bijvoorbeeld dat geld dat Calpers in 1997 bij Blackstone onderbracht het fonds zo'n 11 procent per jaar opleverde, terwijl een belegging in Hicks, Muse in hetzelfde jaar een negatief rendement van zo'n 4 procent teweegbracht. De laatste keer dat de twee bedrijven met de hoed rondgingen, waren deze cijfers voor de belanghebbenden van Calpers nog niet beschikbaar.

Nu ze dat wel zijn, is het alleen maar redelijk je af te vragen hoe Calpers die belanghebbenden ervan wil overtuigen nog meer geld in Hicks Muse te steken,of in welk ander bedrijf ook dat verlies heeft gedraaid.

Breaking Views. Vertaling Menno Grootveld.