De overheid en terrorisme

Doorzettingsmacht is het nieuwste toverwoord in bestuurlijk Nederland. Wat dat precies inhoudt is minder duidelijk. Minister Donner (Justitie) krijgt het als het gaat om een terroristische calamiteit. Zijn collega Remkes (Binnenlandse Zaken) denkt het toe aan de commissaris van de koningin als het gaat om rampenbestrijding, al zal de bewindsman de eindverantwoordelijkheid toch altijd aan zichzelf moeten houden. De ene doorzettingsmacht kan ook botsen met de andere. Na een aanslag zou Donner een gebied afzetten in het belang van de opsporing of ter voorkoming van herhaling of van vlucht, terwijl Remkes er juist in zou willen met hulpdiensten voor de slachtoffers. Wat gaat dan voor? ,,Ga er maar van uit dat collega Donner en ik er uitkomen'', aldus Remkes. Zijn vuistregel: slachtoffers gaan voor, tenzij het risico van een vervolgaanslag groot is.

Deze formule laat nog aardig wat ruimte voor discussie en dat lijkt tekenend voor de situatie. Er is de afgelopen zomer in de woorden van de minister een ,,gigantische spraakverwarring'' ontstaan naar aanleiding van een verhoogde terreurdreiging. Daar is hij onhandig mee omgesprongen, erkent Remkes ruiterlijk. Dat kan men wel zeggen. Zijn onhandigheid zal hebben bijgedragen tot de opwaardering van Donner's imago. Achtereenvolgende bewindslieden hebben het beeld van een stammenstrijd tussen Justitie en Binnenlandse Zaken steevast weggelachen. Zo doet Remkes nu ook wegwerpend over ,,Haagse spelletjes''. Maar dat zijn het niet. Het gebied van de openbare veiligheid werd ooit door een ervaren politiecommissaris treffend getypeerd als ,,een mijnenveld van gevoeligheden en rivaliteiten''. Alleen al bij de terreurbestrijding zijn in Nederland twintig instituties beleidsmatig of operationeel betrokken. Dat is een voedingsbodem voor méér dan Haagse spelletjes.

De beslissingen over doorzettingsmacht in het spanningsveld tussen Justitie en Binnenlandse zaken is van belang voor de kwaliteit van de veiligheidszorg in dit land. In de terreurbestrijding gaat minister Donner steeds meer de weg op van noodstrafrecht. Maar het gaat allang niet meer om eenmalige en uitzonderlijke veranderingen, zoals tot dusver werd verzekerd. In de recente beleidsbrief terrorismebestrijding komt de aap uit de mouw: ook los van de huidige dreiging moeten overheid en samenleving hun weerbaarheid versterken. Mission creep, noemen de Amerikanen dat: wat begint als een noodmaatregel wordt algemeen toepast. Driekwart van de veroordelingen op grond van de radicale US PATRIOT Act die direct na `9/11' werd aangenomen heeft niets met terrorisme van doen. Het is trouwens een misvatting dat nieuwe strafbepalingen tegen terrorisme primair bedoeld zijn om veroordelingen op te leveren, al is dat natuurlijk nooit weg. Wel zo belangrijk is dat een ruimere strafbepaling de drempel verlaagt voor de politie om in actie te komen.

In het kielzog van de elfde september is in Nederland volgens Remkes ,,een groot aantal aanhoudingen verricht'', maar het kwam slechts bij uitzondering tot een strafproces. Dat bestempelt de arrestaties nog niet tot onjuist. Voor een veroordeling is bewijs vereist, voor arrestatie slechts een verdenking. Dat in de sfeer van aanwijzingen en vermoedens een misslag wordt gemaakt is onvermijdelijk. Dat bleek in Utrecht bij een inval met groot machtsvertoon bij een Marokkaans gezin. Een kwestie van persoonsverwisseling, te zachte AIVD-informatie? In elk geval, alweer, een communicatiestoornis, klaagt burgemeester Brouwer. De overheid past een royale rehabilitatie van de getroffen familie. Vooral dient zij zich de waarschuwing van het College Bescherming Persoonsgegevens ter harte te nemen dat kwaliteitsbewaking van politiegegevens een hogere prioriteit verdient dan deze krijgt. Dat zou trouwens welbegrepen eigenbelang behoren te zijn.